Eén punt verschil en drie motieven die niemand kan narekenen: de Raad van State schorst de aanstelling van de commissaris van het Agentschap voor Buitenlandse Handel
Het Agentschap voor Buitenlandse Handel gunde het commissarismandaat voor de boekjaren 2026-2028 aan Baker Tilly met 86 punten tegen 85 voor L&S Réviseurs d’entreprises, maar omdat noch het verslag van nazicht noch het administratief dossier laat begrijpen waarom de aanpak van L&S ‘relatief algemeen’ en haar ervaringsdocumentatie ‘beknopt’ zou zijn, schorst de Raad van State de gunning bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
Wat gebeurde er?
Begin 2026 besloot het Agentschap voor Buitenlandse Handel een overheidsopdracht te plaatsen voor de aanstelling van een commissaris voor de boekjaren 2026, 2027 en 2028. Het koos voor een onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking; bestek nr. I 0002237 verdeelde 100 punten over twee gunningscriteria: ‘Prijs’ (70 punten, toegekend via de formule laagste prijs gedeeld door geboden prijs, vermenigvuldigd met het gewicht) en ‘Plan van aanpak’ (30 punten). Voor dat tweede criterium moest de inschrijver volgens artikel 1.10 van het bestek een beknopt document bij zijn offerte voegen van maximaal vijf pagina’s A4, waarin hij zijn kantoor, zijn eigen aanpak en de inbegrepen diensten kon toelichten, met vermelding van zijn ervaring bij andere overheidsinstellingen. De evaluatiemethode was vooraf bekendgemaakt: passend en realistisch karakter van het voorgestelde programma, afstemming op de concrete noden van de klant en op het toepasselijke regelgevende kader, en relevante ervaring in de publieke sector. Drie inschrijvers dienden een offerte in; alle drie werden geselecteerd en alle drie de offertes werden regelmatig bevonden. Op prijs haalde L&S Réviseurs d’entreprises 70 punten, Baker Tilly 57 en Ernst & Young 34. Op ‘Plan van aanpak’ kreeg L&S 15 punten, de twee anderen elk 29. Eindstand: Baker Tilly 86, L&S 85, Ernst & Young 63. Op 26 juni 2026 gunde de directeur-generaal de opdracht aan Baker Tilly; L&S werd bij aangetekende brief van 26 juni 2026 en e-mail van 29 juni 2026 op de hoogte gebracht. Op 10 juli 2026 diende zij twee verzoekschriften in: een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en een annulatieberoep. Het Agentschap wierp vier excepties van onontvankelijkheid op — de bestreden akte zou verkeerd zijn gedateerd (29 in plaats van 26 juni), de statuten en het bewijs van de beslissing om in rechte te treden ontbraken, de middelen waren niet in het schorsingsverzoek zelf uitgewerkt, en het verzoekschrift was obscuur. De Raad verwierp ze alle vier: de aanduiding van de bestreden akte mag niet in overdreven formalisme vervallen wanneer de verwerende partij zich, blijkens haar eigen nota, niet heeft kunnen vergissen; artikel 3bis van het Regentsbesluit is krachtens artikel 8, § 1, van het KB van 19 november 2024 niet van toepassing in uiterst dringende noodzakelijkheid, zoals het verslag aan de Koning uitdrukkelijk bevestigt (B.S. 2 december 2024, p. 130.598); artikel 4, § 1, lid 1, 7° van datzelfde KB laat toe dat het schorsingsverzoek naar het gelijktijdig ingediende annulatieverzoekschrift verwijst; en het Agentschap had zich in zijn nota, zij het in ondergeschikte orde, tegen elk argument verdedigd, wat bewijst dat het ze begrepen had. Ten gronde draaide alles om de drie motieven waarop de 15 op 30 steunde: de offerte zou de gevraagde beknopte nota van maximaal vijf pagina’s niet bevatten, de voorgestelde aanpak bleef ‘relatief algemeen’ geformuleerd, en de documentatie over de relevante ervaring was ‘beknopt’ gebleven. De Raad herinnerde eraan dat de ruime beoordelingsvrijheid bij het vergelijken van offertes als keerzijde een uitgebreide motiveringsplicht heeft: de loutere toekenning van punten volstaat niet, de punten moeten gedragen worden door motieven in de vorm van een beschrijvende beoordeling die steunt op concrete verwijzingen naar de inhoud van de offerte. Omdat noch de bestreden beslissing noch het administratief dossier toelaat te achterhalen welk gewicht elk van de drie motieven in de 15 punten had, moest prima facie worden aangenomen dat elke fout in die motieven de score — en dus de rangschikking, die op één punt werd beslecht — had kunnen wijzigen. Over het tweede motief stelde de Raad vast dat het Agentschap, na eerst te hebben geoordeeld dat de vereiste nota ontbrak, de offerte toch had onderzocht, zonder aan te geven welke passages het daarbij in aanmerking had genomen; waarom de aanpak dan ‘relatief algemeen’ zou zijn, blijkt nergens uit, en evenmin waarom de beoordelingen van de twee andere offertes — ‘duidelijk, gestructureerd en beknopt’, ‘coherent, professioneel uitgewerkt en afgestemd op de noden van het Agentschap’ — wél gerechtvaardigd waren. Over het derde motief liep de vergelijking uit op hetzelfde: L&S vermeldde op pagina 14 dat zij externe auditopdrachten uitvoert bij verschillende entiteiten van de publieke en de non-profitsector en toonde de logo’s van zestien klanten, en nam op pagina 42 een referentielijst met vijf van die klanten op, terwijl de begunstigde op pagina 5 vijf klanten als ‘relevante referenties’ opgaf en vier klantattesten voorlegde, waarvan één van een klant die verder niet in de offerte voorkwam. Waarom het ene ‘beknopt’ heet en het andere ‘concreet en overtuigend’, verduidelijkt het dossier niet. De uitleg die het Agentschap in zijn nota met opmerkingen alsnog gaf — over de veertien pagina’s ‘Werkmethodologie’ die van pagina 16 tot 29 doorliepen en over de vergelijking met de secties van Baker Tilly en Ernst & Young — kwalificeerde de Raad als een formele motivering a posteriori, die niet kan worden aanvaard, ook al zou ze juist en pertinent zijn. Ook het verweer dat L&S geen belang had bij haar kritiek omdat haar offerte onregelmatig had kunnen worden verklaard, ging niet op: het Agentschap had de offerte bij de gunning zelf niet onregelmatig verklaard, en het komt de Raad van State niet toe die regelmatigheid alsnog te onderzoeken. Bij de belangenafweging identificeerde het Agentschap geen nadelen van een schorsing die zwaarder wegen dan de voordelen, en de Raad zag ze evenmin. De schorsing van de gunningsbeslissing werd bevolen, de offertes (stukken A, B en C van het administratief dossier) bleven in dit stadium vertrouwelijk, en de kosten werden aangehouden.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest zet scherp waar de grens ligt tussen beoordelingsvrijheid en willekeur bij kwalitatieve gunningscriteria. Een aanbesteder mag een plan van aanpak wegen, mag daar dertig van de honderd punten aan hangen, en mag zelfs de goedkoopste inschrijver laten verliezen — maar hij moet achteraf kunnen tonen wáárin de ene offerte tekortschoot en de andere overtuigde, met verwijzingen naar wat er effectief in die offertes staat. Kwalificaties als ‘relatief algemeen’ of ‘beknopt’ zijn conclusies, geen motieven. Het arrest illustreert daarnaast twee punten die in de praktijk vaak onderschat worden. Het eerste is het effect van een krappe uitslag: omdat de puntentoekenning niet per motief is uitgesplitst, hoeft de verzoeker niet te bewijzen dat hij zonder de fout gewonnen zou hebben — het volstaat dat dit prima facie mogelijk was, en bij één punt verschil is die drempel snel gehaald. Het tweede is het verbod op herstel achteraf: wat de aanbesteder in zijn nota met opmerkingen alsnog uitlegt, telt niet mee, hoe overtuigend het ook klinkt. Het arrest is ook procedureel nuttig. Het bevestigt dat artikel 3bis van het Regentsbesluit — statuten, aanstellingsakte, bewijs van de beslissing om in rechte te treden — niet geldt in uiterst dringende noodzakelijkheid, dat een schorsingsverzoek mag verwijzen naar het gelijktijdig ingediende annulatieverzoekschrift, en dat een verkeerde datum van de bestreden akte het beroep niet nekt zolang de aanbesteder zich niet heeft kunnen vergissen. Dat een vennootschap die zonder advocaat optrad daarmee door vier ontvankelijkheidsexcepties heen raakte én de schorsing verkreeg, zegt iets over de soepelheid waarmee de Raad die formaliteiten leest. Tegelijk verdient de nuance vermelding: de Raad geeft L&S niet ten gronde gelijk. Hij zegt niet dat de aanpak van L&S wél concreet was of dat haar ervaring wél uitvoerig gedocumenteerd was, maar dat niemand kan controleren waarom het Agentschap het tegendeel besloot. Wie het bestek een limiet van vijf pagina’s ziet opleggen en er veertien aflevert, houdt hoe dan ook een probleem over.
De les
Bent u aanbesteder: laat uw verslag van nazicht per criterium niet eindigen bij een oordeel, maar bij de vindplaats. Schrijf niet dat een aanpak ‘relatief algemeen’ is, maar welke passages u hebt gelezen, wat daar ontbrak en welk concreet element de betere offerte wél bood. Zet die ankers voor élke offerte, ook de winnende — de Raad vergelijkt uw beoordelingen onderling. Denkt u dat een offerte de vormvereisten van het bestek schendt, bijvoorbeeld een paginalimiet, trek die conclusie dan op het moment van de gunning en motiveer ze; wie de offerte toch beoordeelt, kan zich achteraf niet meer op de onregelmatigheid beroepen. En reken er niet op dat u in uw nota met opmerkingen kunt uitleggen wat in het dossier ontbreekt: die motivering komt te laat. Bent u inschrijver: lees de motivering die u krijgt niet op haar toon maar op haar verifieerbaarheid. Bevat ze enkel kwalificaties zonder verwijzing naar wat er in uw offerte staat, en zonder dat u kunt nagaan waarom de winnaar het beter deed, dan hebt u een ernstig middel — zeker wanneer het puntenverschil klein is en de aanbesteder nergens heeft uitgesplitst hoeveel punten elk verwijt kostte. Respecteer intussen wel zelf de spelregels: bakent het bestek een nota af op vijf pagina’s, maak dan met een duidelijke titel en paginering zichtbaar waar die nota begint en eindigt. Een goed middel over de motivering neemt niet weg dat u op dat punt een makkelijk te vermijden kwetsbaarheid creëerde.
Te onthouden
- De loutere toekenning van punten is geen afdoende motivering: de punten moeten gedragen worden door motieven, uitgedrukt als een beschrijvende beoordeling die steunt op concrete verwijzingen naar de inhoud van de offerte.
- Wanneer noch de beslissing noch het administratief dossier laat zien hoeveel punten elk motief kostte, volstaat het prima facie dat één foutief motief de score had kunnen wijzigen — bij 85 tegen 86 punten is dat snel aangenomen.
- Uitleg die de aanbesteder pas in zijn nota met opmerkingen geeft, is een formele motivering a posteriori en wordt niet aanvaard, ook al zou ze juist en pertinent zijn.
- Wie een offerte bij de gunning niet onregelmatig heeft verklaard, kan zich in de procedure niet alsnog op die onregelmatigheid beroepen om het belang van de verzoeker te betwisten; de Raad onderzoekt de regelmatigheid dan niet.
- Artikel 3bis van het Regentsbesluit van 23 augustus 1948 (statuten, aanstellingsakte, bewijs van de beslissing om in rechte te treden) geldt niet in uiterst dringende noodzakelijkheid — artikel 8, § 1, van het KB van 19 november 2024 somt limitatief op wat wél van toepassing is.
- Een schorsingsverzoek mag voor de uiteenzetting van de middelen verwijzen naar het gelijktijdig of eerder ingediende annulatieverzoekschrift (art. 4, § 1, lid 1, 7° KB 19 november 2024).
- Een verkeerde datum van de bestreden akte in het verzoekschrift maakt het beroep niet onontvankelijk wanneer uit de nota met opmerkingen en het dossier blijkt dat de aanbesteder zich niet over het bestreden besluit heeft kunnen vergissen.
- De schorsing werd bevolen met aangehouden kosten; de drie offertes bleven in dit stadium vertrouwelijk.
Waarop letten
- Het onderscheid tussen een kwalificatie (‘relatief algemeen’, ‘beknopt’) en een motief dat verankerd is in de gelezen passages van de offerte.
- De symmetrie van de beoordeling: de motivering van de winnende offerte moet even verifieerbaar zijn als die van de afgewezen offerte.
- Het ontbreken van een uitsplitsing per motief, dat de aanbesteder hier belet aan te tonen dat een betwist verwijt geen gevolgen had.
- Het moment waarop een vormgebrek in een offerte moet worden gekwalificeerd: bij de gunning, niet in de procedure.
- De verschillende procedureregels in uiterst dringende noodzakelijkheid tegenover de gewone annulatieprocedure, in het bijzonder de niet-toepasselijkheid van art. 3bis Regentsbesluit.
- Dat een schorsing geen uitspraak ten gronde is: de Raad beslist hier niet dat de offerte van L&S beter was, maar dat de score niet controleerbaar is gemotiveerd.
Stel jezelf de vraag
Kan iemand die uw verslag van nazicht leest zonder de offertes erbij te nemen, begrijpen waarom de ene inschrijver 15 en de andere 29 op 30 kreeg? Verwijst elk kwalitatief oordeel in dat verslag naar een concreet element uit de beoordeelde offerte, en geldt dat ook voor de offerte die u wilt aanwijzen? Hebt u uitgesplitst hoeveel punten elk verwijt kostte, zodat achteraf vaststaat of een betwist motief al dan niet beslissend was? Hebt u een vormvereiste zoals een paginalimiet, als u vindt dat ze geschonden is, ook effectief in de gunningsbeslissing als onregelmatigheid gekwalificeerd — of hebt u de offerte stilzwijgend toch beoordeeld? En als inschrijver: hebt u nagekeken of u uit de ontvangen motivering kunt afleiden welke passages van uw offerte werden gelezen, of leunt ze volledig op kwalificaties die u niet kunt narekenen?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →