Tweede ronde voor de ORES-hoogwerkers: na de geschorste selectie doet de intercommunale het over, en deze keer houdt de niet-selectie van Comet wél stand
Nadat de Raad van State op 4 mei 2026 de eerste selectiebeslissing van ORES Assets had geschorst en de intercommunale die had ingetrokken, kwam Comet Belgium bij de herbeoordeling opnieuw niet door de kwalitatieve selectie — haar derde referentie bleek uit twee afzonderlijke contracten van samen 3.153.081 euro te bestaan waarin zij noch de voertuigen leverde noch het onderhoud ervan verzorgde — en de Raad verwerpt haar drie middelen over de draagkracht van derden, de niet-percelering en een vermeende afspraak tussen de twee weerhouden kandidaten.
Wat gebeurde er?
Op 17 december 2025 besliste de raad van bestuur van de intercommunale ORES Assets om een raamovereenkomst te lanceren voor de levering van bedrijfsvoertuigen uitgerust met een mobiele hoogwerker (PEMP), inclusief het onderhoud van het geheel, bij onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging op grond van artikel 117, § 1, 3° van de wet van 17 juni 2016. De aankondiging vertrok op 19 december 2025: een looptijd van maximaal acht jaar, een maximale waarde van 75 miljoen euro en hoogstens drie kandidaten die zouden worden uitgenodigd om een offerte in te dienen. Het deelnemingsformulier bevatte drie selectiecriteria, elf in te vullen bijlagen en een rangschikkingsmethode voor het geval er meer dan drie geldige kandidaturen zouden binnenkomen. Vijf ondernemingen dienden een kandidatuur in: Comet Belgium, France Élévateur Benelux, HDW Belux, Mondia Klubb Group en Renault Trucks Belux. Op 18 maart 2026 selecteerde de raad van bestuur de eerste drie; Comet en Renault Trucks vielen af omdat zij weliswaar aan de drie criteria voldeden, maar niet in nuttige rangorde stonden. Bij arrest nr. 266.578 van 4 mei 2026 schorste de Raad van State die beslissing wegens een motiveringsgebrek: uit het dossier bleek dat de referenties van Mondia Klubb Group niet van de SAS Klubb Group kwamen maar van de SASU Klubb France — 471 van de 475 referenties voor het eerste criterium en alle zeven voor het tweede — terwijl die laatste vennootschap geen verbintenisverklaring en geen uitsluitingsattesten had voorgelegd, en omdat in het ‘tableau d’analyse administrative’ de vermeldingen ‘hors porteur’ zonder enige uitleg waren vervangen door ‘+ porteur’. Op 20 mei 2026 trok ORES haar beslissing van 18 maart in, onderzocht alle kandidaturen opnieuw en stelde vragen aan de kandidaten, behalve aan Mondia Klubb Group. De nieuwe selectiefiche van 16 juni 2026 leidde tot de beslissing van 17 juni 2026: France Élévateur Benelux en HDW Belux geselecteerd, Mondia Klubb Group en Comet Belgium niet, en akte van de ingetrokken kandidatuur van Renault Trucks. Voor Comet draaide alles om haar derde referentie voor het tweede selectiecriterium, dat drie all-in-contracten eiste van elk minstens 4 miljoen euro exclusief btw, gerealiseerd tussen 2020 en 2025, samen goed voor minstens 15 miljoen euro. Die derde referentie vermeldde als klant zowel een aanbestedende entiteit (Resa) als twee marktdeelnemers (Renault en J&T Autolease). Uit Comets eigen antwoord bleek dat het niet om één contract ging, maar om twee afzonderlijke contracten die Resa had gesloten met Renault Finance voor perceel 1 en met J&T Autolease voor perceel 2, waarin Comet enkel leverancier was en dus geen opdrachtnemer; dat het gecumuleerde bedrag van haar aandeel 3.153.081 euro exclusief btw bedroeg, onder de drempel van 4 miljoen per contract; en dat zij voor die referentie de bedrijfsvoertuigen niet had geleverd en het onderhoud daarvan niet had verzorgd, zodat het onderhoud niet op het geheel sloeg en de opdracht dus niet ‘all in’ was. Comet betwistte die motieven zelf niet. In haar eerste middel richtte zij zich op de twee weerhouden kandidaten: de handtekeningen onder hun verbintenisverklaringen zouden niet degelijk zijn gecontroleerd, de verbintenissen niet effectief zijn, en het DUME zou niet vermelden voor welk deel van de opdracht op de derde een beroep werd gedaan. De Raad ging daar niet in mee. Voor HDW Belux was de handtekening van de Deense vennootschap Versalift DK gecontroleerd aan de hand van het uittreksel van de Danish Business Authority, waaruit blijkt dat de ondertekenaar bestuurder is en de vennootschap alleen kan verbinden. Voor France Élévateur Benelux was de ondertekenaar voorzitter van de SAS FE Group, die op haar beurt voorzitter is van de SAS France Élévateur; artikel L227-6 van het Franse wetboek van koophandel bepaalt dat een SAS tegenover derden door haar voorzitter wordt vertegenwoordigd met de meest uitgebreide bevoegdheden, en dat statutaire beperkingen niet tegenwerpbaar zijn aan derden — dat hij enkel de hoedanigheid van directeur-generaal vermeldde, doet prima facie niet ter zake. Over de effectiviteit van de verbintenissen herinnerde de Raad aan de kern van de regeling: een kandidaat mag de referenties van een derde slechts inroepen op voorwaarde dat die derde zich effectief verbindt zijn middelen ter beschikking te stellen voor de uitvoering; zonder zo’n verbintenis tellen die referenties niet mee. Hier verbond Versalift DK zich voor de levering van voertuigen met elektrisch aangedreven PEMP en France Élévateur voor alle aspecten — levering, onderhoud van het geheel en COP-certificering. Omdat de verklaringen geen enkel voorbehoud bevatten, moest het engagement als maximaal worden beschouwd voor het betrokken aspect. De kritiek op het DUME faalde naar recht: artikel 72, § 3 van het KB van 18 juni 2017 verplicht niet om in het DUME zelf het deel van de opdracht te vermelden, en het DUME-model voorziet daar geen vak voor. De Raad verwees ook naar het arrest Borta van het Hof van Justitie (5 april 2017, C-298/15), waaruit volgt dat de bijdrage van een marktdeelnemer aan de vereiste beroepsbekwaamheid in de regel niet evenredig hoeft te zijn met het aandeel van de prestaties dat hij effectief zal uitvoeren. Ook het verwijt van ongelijke behandeling hield geen stand: ORES stelde aan Comet specifiekere vragen omdat haar derde referentie drie verschillende entiteiten als betrokkene vermeldde, terwijl de twee anderen per referentie één klant opgaven; over haar eerste twee referenties, met telkens één klant, werd Comet evenmin bevraagd, en die twee werden wél voldoende bevonden. In haar tweede middel viel Comet de keuze aan om de opdracht niet in percelen te verdelen, in combinatie met een streng tweede selectiecriterium. De Raad stelde vast dat artikel 58, § 1 van de wet van 17 juni 2016 niet geldt in de speciale sectoren en dat artikel 137, de wél toepasselijke bepaling, geen verplichting bevat om percelering te overwegen of de keuze ertegen te motiveren; de parlementaire voorbereiding bevestigt dat uitdrukkelijk. De ‘fiche stratégie d’achat’ bevatte overigens wel degelijk motieven: één aanspreekpunt, een intern studiebureau, uitwisselbaarheid van wisselstukken, vervangvoertuigen op kosten van de opdrachtnemer en een communicatieplatform voor de opvolging van de interventies. Doorslaggevend waren de ‘historische redenen’: bij een eerdere opdracht kocht ORES de kale vrachtwagens en de hoogwerkeropbouw apart aan, wat tot een gerechtelijke procedure tegen Comet leidde; de gerechtsdeskundige besloot dat die opsplitsing technisch risicovoller was en talrijke gebreken in de hand had gewerkt, waarbij de betrokkenen elkaar de schuld toeschoven en ORES genotsderving leed. De Raad erkende dat niet-percelering de toegang voor kmo’s bemoeilijkt, maar zag prima facie geen onwettigheid. Ook het niveau van het tweede criterium doorstond de toets: drie all-in-contracten van elk minstens 4 miljoen euro over zes jaar, samen 15 miljoen, tegenover een opdracht die op 8.480.000 euro per jaar werd geraamd voor de eerste twee jaar en 4.240.000 euro per jaar daarna — de gevraagde cumul bedraagt 34 procent van de totale waarde, of 44 procent van de geraamde waarde over de eerste zes jaar. Anders dan in het door Comet ingeroepen arrest nr. 256.952 van 28 juni 2023 eiste ORES geen volume bij één en dezelfde klant: de drie referenties mogen van verschillende klanten komen. Dat referenties op de Belgische markt moeilijk te vinden zouden zijn, werd door geen enkel stuk gestaafd, terwijl de opdracht ver boven de Europese drempels ligt en de twee weerhouden kandidaten — die zichzelf in hun DUME als kmo aanmerken — precies via de draagkracht van een Deense en een Franse vennootschap aan de criteria voldeden. Het derde middel, over een mogelijke afspraak tussen de twee geselecteerden, strandde eveneens: dat Versalift en France Élévateur tot dezelfde groep Time Manufacturing Company behoren, maakt HDW Belux en France Élévateur Benelux nog niet tot verbonden vennootschappen, het statuut van officieel verdeler evenmin, en beide kandidaten legden verschillende referenties voor. De vordering tot schorsing werd verworpen, de onmiddellijke uitvoering van het arrest bevolen, de stukken A tot M vertrouwelijk gehouden en Comet veroordeeld tot het rolrecht van 200 euro, de bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro aan ORES. In zoverre het beroep gericht was tegen ‘de eventuele beslissing om de raamovereenkomst aan een andere kandidaat te gunnen’, was het onontvankelijk: die beslissing bestond nog niet.
Waarom doet dit ertoe?
Dit is het vervolg op arrest nr. 266.578 en laat zien wat een geslaagde schorsing waard is — en wat niet. Comet won in mei op de motivering, ORES trok haar beslissing in en deed het werk over; drie maanden later staat Comet opnieuw buiten, maar nu op gronden die zij zelf niet betwist. Wie een selectiebeslissing onderuit haalt wegens een motiveringsgebrek, wint tijd en een tweede lezing, geen plaats op de shortlist. Inhoudelijk levert het arrest drie bruikbare bevestigingen. De eerste gaat over de draagkracht van derden: de verbintenisverklaring is het scharnier van het hele systeem. Zonder verklaring tellen de referenties van de derde niet mee — dat kostte Mondia Klubb Group in de eerste ronde haar plaats — en mét een verklaring zonder voorbehoud reikt het engagement zo ver als het aspect waarvoor het is gegeven. De eis dat het DUME zelf het deel van de opdracht zou vermelden, faalt naar recht: het formulier voorziet daar niet in. De tweede gaat over percelering in de speciale sectoren, een verschil dat in de praktijk geregeld over het hoofd wordt gezien. Artikel 58 van de wet van 17 juni 2016, met zijn plicht om de verdeling in percelen te overwegen en de keuze ertegen te motiveren, geldt daar niet; artikel 137 laat de entiteit vrij. Dat is geen vrijbrief — de keuze moet nog steeds op juiste en pertinente motieven berusten — maar de bewijslast ligt anders. De derde gaat over de proportionaliteit van referentiedrempels. Het is niet het aantal ondernemingen dat eraan voldoet dat telt, maar de verhouding tot het voorwerp en de omvang van de opdracht en tot de uitvoeringslasten. Dat de Raad hier de cumul uitdrukt als percentage van de opdrachtwaarde — 34 procent van het totaal, 44 procent van de eerste zes jaar — geeft een bruikbare maatstaf voor wie zo’n drempel moet verdedigen of aanvechten. Opvallend blijft hoe zwaar de voorgeschiedenis weegt: een gerechtsdeskundige die in een eerder geschil tussen dezelfde partijen vaststelde dat het opsplitsen van voertuig en opbouw technisch risicovoller was, levert hier het sterkste argument voor één globale opdracht. Feitelijke ervaring met een mislukte opzet is in dit dossier meer waard dan enig principieel betoog.
De les
Bent u kandidaat en beroept u zich op de referenties van een moeder-, zuster- of groepsvennootschap, zorg er dan voor dat precies die entiteit de verbintenisverklaring tekent en de uitsluitingsattesten voorlegt. Een filiaal blijft juridisch ‘een andere entiteit’, ook als het voor honderd procent in handen is van de vennootschap die wel tekende; de eerste ronde in dit dossier sneuvelde exact op die verwarring. Laat de verklaring ook zonder voorbehoud: dat maakt het engagement maximaal voor het betrokken aspect en ontneemt de aanbesteder de reden om te twijfelen. Controleer daarnaast wie bevoegd is om te tekenen, zeker bij buitenlandse vennootschappen — voor een Franse SAS volstaat de voorzitter, ook wanneer hij zichzelf anders betitelt, en voor een Deense vennootschap volstaat het uittreksel van de handelsregisterautoriteit. Bouwt u een referentie op waarin u onderaannemer of leverancier bent van een andere opdrachtnemer, ga dan na of u ze wel kunt claimen: u bent geen titularis van een contract dat de aanbesteder met iemand anders sloot, en een drempel per contract kunt u niet halen door twee kleinere contracten op te tellen. Vraagt het bestek een all-in-referentie, dan moet uw eigen prestatie het hele voorwerp dekken — hier het voertuig én de hoogwerker én het onderhoud van beide. Bent u aanbesteder, en zeker in de speciale sectoren: u hoeft de keuze om niet te percelen niet in de opdrachtdocumenten te verantwoorden, maar leg de motieven wel vast in uw aankoopstrategie. Een gedocumenteerde slechte ervaring met een gesplitste opzet, ondersteund door een deskundigenverslag, is het soort onderbouwing dat een proportionaliteitstoets doorstaat. Stemt u vragen om verduidelijking af op wat elk dossier oproept, houd dan bij waarom de ene kandidaat meer vragen kreeg dan de andere — het verschil in behandeling verantwoordt zich door het verschil in de dossiers, niet door de kandidaat.
Te onthouden
- Een kandidaat mag de referenties van een derde slechts inroepen als die derde zich effectief verbindt zijn middelen ter beschikking te stellen voor de uitvoering; zonder verbintenisverklaring tellen die referenties niet mee.
- Een verbintenisverklaring zonder voorbehoud geldt als een maximaal engagement voor het aspect van de opdracht waarop het betrokken selectiecriterium slaat.
- Artikel 72, § 3 van het KB van 18 juni 2017 verplicht niet om in het DUME zelf te vermelden voor welk deel van de opdracht op de draagkracht van een derde wordt gesteund; het DUME-model voorziet daar geen vak voor.
- In de speciale sectoren geldt artikel 58, § 1 van de wet van 17 juni 2016 niet: artikel 137 legt geen verplichting op om percelering te overwegen of de keuze ertegen te motiveren in de opdrachtdocumenten.
- De proportionaliteit van een referentiedrempel wordt niet beoordeeld naar het aantal ondernemingen dat eraan voldoet, maar naar het voorwerp, de omvang en de uitvoeringslasten van de opdracht — hier drie contracten van elk 4 miljoen euro en samen 15 miljoen, tegenover een raming van 8.480.000 euro per jaar in de eerste twee jaar.
- Een eis van drie afzonderlijke referenties bij mogelijk verschillende klanten is iets anders dan de eis, gesanctioneerd in arrest nr. 256.952 van 28 juni 2023, dat een volume bij één en dezelfde klant is behaald.
- Verschillende vragen om verduidelijking aan verschillende kandidaten schenden de gelijkheid niet wanneer de verschillen uit de kandidaatstellingsdossiers zelf voortvloeien.
- Behoren tot dezelfde industriële groep of officieel verdeler zijn van een merk volstaat niet om een verboden afspraak tussen twee kandidaten aan te tonen; er is een concrete invloed op de inhoud van de dossiers nodig (HvJ 8 februari 2018, C-144/17).
- Comet draagt het rolrecht van 200 euro, de bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro; de onmiddellijke uitvoering van het arrest werd bevolen.
Waarop letten
- Het onderscheid tussen de entiteit die de referenties aanlevert en de entiteit die tekent — een filiaal blijft ‘een andere entiteit’, ook bij honderd procent controle.
- De titulariteit van een referentiecontract: leverancier of onderaannemer zijn van een opdrachtnemer is niet hetzelfde als titularis van de opdracht zijn.
- Drempels per contract kunnen niet worden bereikt door kleinere contracten op te tellen.
- Het begrip ‘all in’: de eigen prestatie moet het volledige voorwerp dekken, niet alleen de opbouw of alleen het onderhoud daarvan.
- Het verschil in regelgeving tussen klassieke en speciale sectoren op het punt van percelering.
- Dat een geslaagde schorsing op een motiveringsgebrek geen plaats op de shortlist oplevert, maar een tweede en soms strengere beoordeling.
Stel jezelf de vraag
Heeft elke derde op wiens draagkracht u zich beroept — en niet haar moedervennootschap of een zustervennootschap — de verbintenisverklaring ondertekend en de uitsluitingsattesten voorgelegd? Hebt u nagegaan of de ondertekenaar de vennootschap volgens haar eigen nationale recht alleen kan verbinden, en beschikt u over het stuk dat dat aantoont? Bevat uw verklaring enig voorbehoud dat de aanbesteder kan lezen als een beperkt engagement? Bij referenties: bent u werkelijk titularis van het contract dat u aanvoert, dekt uw eigen prestatie het volledige voorwerp dat het bestek ‘all in’ noemt, en haalt elke referentie afzonderlijk de drempel? En als aanbesteder in de speciale sectoren: hebt u de redenen om niet te percelen wel intern vastgelegd, ook al moet u ze niet in de opdrachtdocumenten publiceren — en kunt u uw referentiedrempels uitdrukken als een verhouding tot de omvang en de duur van de opdracht?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →