Verwerping Franstalig college

De SPI trok haar afwijzing in tijdens de procedure: geen zaak zonder voorwerp, maar een onontvankelijke vordering — en de kosten blijven open

Arrest nr. 267463 · 7 augustus 2026 · VIe vakantiekamer, zetelend in kort geding

SML Ingénieurs Conseils vocht bij uiterst dringende noodzakelijkheid de beslissing aan waarbij de SPI haar offerte voor het bedrijvenpark Werihet in Luik nietig verklaarde wegens een abnormaal geachte forfaitaire prijs voor de haalbaarheidsstudie van een warmtenet; toen de SPI die beslissing op 29 juli 2026 introk, verdween met terugwerkende kracht ook de benadeling, zodat de vordering niet zonder voorwerp maar wel onontvankelijk werd en de Raad de kosten aanhield.

Wat gebeurde er?

De SPI, de ontwikkelingsmaatschappij voor de provincie Luik, plaatste onder bijzonder bestek nr. 2025-2414 een dienstenopdracht met als voorwerp het project voor de aanleg en de uitvoering van een bedrijvenpark op de site Werihet in Luik. De opdracht was opgedeeld in tranches; tranche 2 betrof een haalbaarheidsstudie voor een warmtenet. Op 26 juni 2026 besliste het uitvoerend bureau van de SPI om de offerte van de bv SML Ingénieurs Conseils nietig te verklaren: de globale forfaitaire prijs die zij voor tranche 2 had opgegeven, zou een abnormaal karakter vertonen, wat de offerte volgens de SPI aantastte met een substantiële onregelmatigheid in de zin van artikel 76, § 3, van het koninklijk besluit van 18 april 2017. Dezelfde beslissing gunde de opdracht aan een andere inschrijver. SML vernam dat bij brief van 29 juni 2026, met als titel 'Avis de non-attribution'. Op 14 juli 2026 stelde zij een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in, samen met een beroep tot nietigverklaring. Bij beschikking van 15 juli 2026 werd de procedurekalender bepaald en de zaak vastgesteld op de zitting van 5 augustus 2026. Op 29 juli 2026 legde de SPI stukken neer — en trok zij de bestreden beslissing in. Dat gegeven bepaalde de hele zitting. De partijen werden uitgenodigd zich uit te spreken over de vraag of de vordering na die intrekking nog voldeed aan de voorwaarden van artikel 15, dat verwijst naar artikel 14, van de wet van 17 juni 2013. Zij verwezen naar de recente rechtspraak van de Raad en waren het erover eens dat SML haar belang bij de schorsingsvordering had verloren. De Raad volgde die lijn, maar met een precieze juridische kwalificatie. Artikel 14 stelt twee cumulatieve ontvankelijkheidsvoorwaarden: de verzoeker moet een belang hebben of hebben gehad bij het bekomen van de opdracht, én hij moet door de aangevoerde schending zijn benadeeld of dreigen te worden benadeeld. De intrekking van 29 juli 2026 werkt terug tot de datum waarop de bestreden beslissing werd genomen. Het gevolg daarvan is dat de aangevoerde onwettigheden, zelfs als zij zouden vaststaan, SML niet hebben benadeeld en ook niet dreigden te benadelen. Daarmee is de tweede voorwaarde van artikel 14 niet vervuld en moet de vordering onontvankelijk worden verklaard. De Raad verwierp de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, hield in dit stadium de stukken 3 en 5 van het dossier van SML vertrouwelijk, en hield de kosten aan.

Waarom doet dit ertoe?

Het arrest verfijnt een onderscheid dat in de praktijk vaak door elkaar wordt gehaald. Wanneer een aanbesteder zijn bestreden beslissing intrekt, is de reflex om te spreken van een zaak die zonder voorwerp is geworden. De Raad kiest hier een andere weg: hij toetst de intrekking aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 14 van de wet van 17 juni 2013. Omdat de intrekking terugwerkt tot de dag van de beslissing, heeft de verzoeker in juridische zin nooit een benadeling geleden — en dus is niet het voorwerp verdwenen, maar de ontvankelijkheid. Dat is geen woordenspel. Het bepaalt mee hoe de kosten worden geregeld, en in dit arrest houdt de Raad die uitdrukkelijk aan, precies omdat het beroep tot nietigverklaring doorloopt en de kostenregeling daar hoort. Voor wie de rechtspraak volgt, ligt hier ook een nuttig contrast met de zaken waarin de intrekking pas na een verkregen schorsing komt: daar geldt zij als een verkapte vernietiging en betaalt de aanbesteder de rechtsplegingsvergoeding. De timing van de intrekking is dus bepalend voor wie uiteindelijk de rekening krijgt. Voor inschrijvers is de praktische betekenis dubbel. Enerzijds is een intrekking tijdens de UDN-procedure vaak een stille overwinning: de afwijzing verdwijnt, de aanbesteder herbegint zijn beoordeling, en de vergelijking van de offertes wordt opnieuw gemaakt. Anderzijds levert zij geen uitspraak op over de kernvraag — hier of een globale forfaitaire prijs voor één tranche werkelijk abnormaal was en of dat een substantiële onregelmatigheid oplevert — zodat het geschil in een volgende ronde onverminderd kan terugkeren.

De les

Trekt de aanbesteder tijdens uw UDN-procedure de bestreden beslissing in, bereid u dan voor op een onontvankelijkheid en niet op een uitspraak ten gronde: de intrekking werkt terug tot de dag van de beslissing, zodat er juridisch geen benadeling meer is in de zin van artikel 14 van de wet van 17 juni 2013. Houd daarom uw beroep tot nietigverklaring in stand, want daar wordt de kostenregeling beslecht — hier hield de Raad de kosten uitdrukkelijk aan. Vraag ook meteen aan de aanbesteder wat er na de intrekking gebeurt: wordt de beoordeling hernomen, blijft uw offerte in de running, en binnen welke termijn? Bent u aanbesteder en stelt u vast dat uw nietigverklaring wegens abnormale prijs wankel staat, dan is intrekken vóór de zitting een legitieme en relatief goedkope manier om de procedure recht te zetten — goedkoper alleszins dan intrekken nadat de schorsing al is uitgesproken. Wees wel zorgvuldig met de kwalificatie zelf: één abnormaal geachte globale forfaitaire prijs voor één tranche maakt een offerte niet automatisch substantieel onregelmatig, en artikel 76, § 3, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 vereist een reële toets. Vraag ten slotte tijdig de vertrouwelijkheid van uw gevoelige stukken: de Raad kende ze hier in dit stadium toe.

Te onthouden

  • De intrekking van de bestreden beslissing werkt terug tot de datum waarop die beslissing werd genomen.
  • Door die terugwerking hebben de aangevoerde schendingen de verzoeker niet benadeeld en dreigden zij hem ook niet te benadelen, zodat de tweede ontvankelijkheidsvoorwaarde van artikel 14 van de wet van 17 juni 2013 niet is vervuld.
  • De vordering wordt dan onontvankelijk verklaard — niet zonder voorwerp — en de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen.
  • De partijen waren het ter zitting eens dat het belang bij de schorsingsvordering was verdwenen; de Raad gaf daar zijn eigen juridische kwalificatie aan.
  • De kosten werden aangehouden, wat past bij het feit dat het beroep tot nietigverklaring doorloopt.
  • De stukken 3 en 5 van het dossier van de verzoekende partij werden in dit stadium vertrouwelijk gehouden.

Waarop letten

  • Het verschil tussen onontvankelijkheid wegens het wegvallen van de benadeling en een zaak die zonder voorwerp valt — die kwalificatie stuurt de kostenregeling.
  • Het moment van de intrekking: vóór de zitting van de UDN-procedure, of pas nadat de schorsing al is uitgesproken.
  • Dat er geen uitspraak komt over de grond: of de globale forfaitaire prijs voor tranche 2 werkelijk abnormaal was, blijft onbeslist.
  • De formulering van de kennisgeving: hier heette de brief van 29 juni 2026 'Avis de non-attribution', maar hij bevatte zowel de nietigverklaring van de offerte als de gunning aan een andere inschrijver.
  • Het nut van een uitdrukkelijk en genummerd verzoek tot vertrouwelijkheid van stukken.

Stel jezelf de vraag

Weet u dat de intrekking van de bestreden beslissing terugwerkt tot de dag van die beslissing, en dat uw schorsingsvordering daardoor onontvankelijk wordt in plaats van zonder voorwerp? Hebt u uw beroep tot nietigverklaring aangehouden, zodat de kostenregeling daar kan worden beslecht? Hebt u aan de aanbesteder gevraagd hoe de procedure na de intrekking wordt hervat en met welke offertes? Als aanbesteder: steunt uw vaststelling van een abnormale prijs op een concrete toets, en volstaat ze om de offerte als substantieel onregelmatig nietig te verklaren? En hebt u, als partij, uw verzoek tot vertrouwelijkheid van gevoelige stukken uitdrukkelijk geformuleerd en genummerd?

Gerelateerde arresten

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →