Schorsing Nederlandstalig college

Gratis fietsen, maar geen uniforme eenheidsprijs: de Raad van State schorst de gunning van het deelfietssysteem van Leiedal

Arrest nr. 267471 · 11 augustus 2026 · XIVe kamer

De winnende BAFO voor de deelfietsconcessie van de Intercommunale Leiedal bood het ‘aanvullend netwerk’ gratis aan tot 50 elektrische of 100 gewone fietsen en pas daarboven tegen tarief — geen uniforme forfaitaire eenheidsprijs zoals het bestek voor een opdracht tegen prijslijst voorschrijft — en die prima facie substantiële onregelmatigheid, goed voor een score van 15/15 tegenover 5,54/15 voor de verzoekster, volstond om de gunning van 26 juni 2026 bij uiterst dringende noodzakelijkheid te schorsen.

Wat gebeurde er?

De Intercommunale Leiedal schreef een concessie voor diensten uit voor de conceptie, de oprichting en de exploitatie van een back-to-many deelfietsensysteem in de regio Leiedal, in het kader van het Vervoer op Maat van de vervoerregio Kortrijk. Het bestek onderscheidde een ‘basisnetwerk’ — minstens 41 basislocaties, vergoed met een vaste jaarlijkse financiële ondersteuning — van een ‘aanvullend netwerk’, waarvoor gemeenten, bedrijven en organisaties zelf als opdrachtgever konden optreden en dat uitdrukkelijk werd behandeld als een opdracht tegen prijslijst, met forfaitaire eenheidsprijzen en louter indicatieve hoeveelheden. De gunningscriteria waren de prijs (35), het kwantitatief aanbod voor het basisnetwerk (20), de kwaliteit van het aanbod (35) en het communicatieplan (10); binnen het prijscriterium werd de prijs voor het aanvullend netwerk apart beoordeeld op 15 punten. Vier ondernemingen dienden een offerte in. Op 12 mei 2026 werden zij uitgenodigd om tegen 28 mei een BAFO in te dienen, elk met eigen aandachtspunten: aan D.R. werd onder meer gevraagd te verduidelijken of de extra stadsfietsen in Kortrijk-centrum tot het aanvullend netwerk behoorden en of de prijs daarvoor op nul euro lag, met de indicatieve mededeling dat naast Kuurne en Wevelgem ook Menen interesse had voor een twintigtal fietsen; de verzoekende partij kreeg enkel te horen dat de prijs voor het aanvullend aanbod een belangrijke drempel voor gemeenten vormt. Enkele uren voor de indiening deelde de aanbesteder nog de ontbrekende subweging van het criterium mee: 2,5 punten voor de opstartprijs van een bijkomende locatie, 2,5 voor de jaarlijkse exploitatieprijs per locatie, 5 voor de jaarprijs per bijkomende elektrische fiets en 5 voor de jaarprijs per bijkomende niet-elektrische fiets. In haar BAFO bood D.R. twee opties aan, beide volledig op eigen kosten: optie A met 100 gratis niet-elektrische deelfietsen, optie B met 50 gratis bijkomende e-bikes, met de keuze te maken bij de gunning; voor bestellingen bovenop die opties gold wél een tarief. Op 26 juni 2026 gunde de raad van bestuur de concessie aan D.R. Op het prijscriterium scoorde de verzoekende partij 18,65/20 voor de prijs voor de eindgebruiker tegenover 14/20 voor D.R., maar 5,54/15 voor de prijs van het aanvullend netwerk tegenover 15/15 voor D.R.; in totaal 76,61/100 tegenover 83,75/100. De verzoekende partij, tweede gerangschikt, vroeg toelichting, kreeg op 2, 4 en 6 juli 2026 antwoorden waaruit bleek dat wie voor meer dan 42 aanvullende fietsen gratis inschreef 5 op 5 kreeg en dat bij de beoordeling geen rekening was gehouden met de prijs voor fietsen boven dat aantal, en stelde op 13 juli 2026 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. Nadat de nota en het administratief dossier waren neergelegd, rees op vraag van het auditoraat de vraag of de concessie wel de drempel van 5.404.000 euro haalde; er bleek geen voorafgaande raming in de zin van artikel 35 van de concessiewet te zijn gebeurd. De Raad van State weigerde die laattijdige, op vertrouwelijke stukken gebaseerde discussie te laten meewegen: de verzoekster mocht vertrouwen op de uitdrukkelijke verwijzing in het bestek en in de kennisgevingsbrief naar de concessiewet en de rechtsbeschermingswet, de waarde van de concessie is door de vele onzekere parameters erg moeilijk te bepalen, en bij twijfel is het — zoals in arrest nr. 240.673 van 6 februari 2018 — passend die wetgeving eerder wel dan niet toepasselijk te achten. Ten gronde stelde de Raad vast dat D.R. voor de jaarprijs per bijkomende fiets geen uniforme eenheidsprijs had opgegeven maar een prijs die varieert naargelang het gekozen volume: nul euro tot de 100ste niet-elektrische of de 50ste elektrische fiets, daarboven het in de BAFO vermelde vaste tarief. Het bestek liet zo’n differentiatie niet toe en bepaalde evenmin dat enkel de prijsopgave voor dat beperkte volume zou meetellen. Ter zitting kon de verwerende partij niet ophelderen of de opties nu tot het basisnetwerk dan wel tot het aanvullend netwerk behoorden. Prima facie had de BAFO van D.R. dus als onregelmatig moeten worden afgewezen. Het enig middel was in die mate ernstig, de Raad beval de schorsing van de tenuitvoerlegging van de gunningsbeslissing en hield de kosten, de gevorderde rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, in beraad.

Waarom doet dit ertoe?

Twee dingen maken dit arrest bruikbaar ver buiten de fietsenmarkt. Het eerste is de vaststelling dat ‘gratis’ aanbieden niet vrijblijvend is wanneer het bestek een opdracht tegen prijslijst met forfaitaire eenheidsprijzen oplegt. Een inschrijver die een eerste schijf weggeeft en pas daarna een reële prijs vraagt, biedt geen eenheidsprijs meer aan maar een staffel, en dat is een afwijking op het substantiële punt van de prijsopgave. Dat de aanbesteder die staffel vervolgens beloonde met de maximumscore, terwijl hij de prijs boven de gratis schijf buiten beschouwing liet, versterkt het probleem: het vergelijkingspunt tussen de offertes verdwijnt. Het tweede is de manier waarop de Raad omgaat met een aanbesteder die halverwege de procedure betwijfelt of zijn eigen opdracht wel onder de ingeroepen wetgeving valt. Leiedal had geen voorafgaande raming gemaakt, had in het bestek en in de kennisgeving uitdrukkelijk naar de concessiewet en de rechtsbeschermingswet verwezen, en probeerde pas na de nota en het dossier met een simulatie aan te tonen dat de Europese drempel niet werd gehaald. De Raad wijst dat af met een argument dat elke inschrijver ten goede komt: effectieve rechtsbescherming vereist dat de te volgen procedure duidelijk en kenbaar is uiterlijk op het ogenblik dat de vordering wordt ingesteld. Wie zelf de toepasselijke regeling aankondigt, kan zich daar achteraf niet meer van losmaken. Opvallend is ten slotte dat de eerste auditeur een andersluidend advies gaf — een herinnering dat de beoordeling van dit soort prijsconstructies niet vanzelfsprekend is.

De les

Bent u inschrijver en wil u scoren door een deel van de opdracht weg te geven, ga dan eerst na hoe het bestek de prijs structureert. Legt het forfaitaire eenheidsprijzen en een prijslijst op, dan moet uw prijs per eenheid dezelfde blijven, ongeacht de afgenomen hoeveelheid: een nultarief tot vijftig stuks en een reëel tarief daarboven is geen eenheidsprijs maar een volumekorting, en riskeert uw offerte substantieel onregelmatig te maken. Bent u aanbesteder, dan zijn er drie concrete punten. Weeg gratis aanbiedingen niet zomaar op nul euro wanneer er ook een prijs voor het meerdere op tafel ligt — u vergelijkt dan appels met peren en de Raad kijkt daar doorheen. Zorg dat de weging van elk (sub)criterium in het bestek staat en niet enkele uren voor de indieningstermijn van de BAFO wordt nagestuurd. En geef de informatie die de offerte beïnvloedt — hier de interesse van Menen voor een twintigtal fietsen — aan alle inschrijvers, niet enkel aan wie de vraag toevallig raakte. Twijfelt u of uw opdracht de Europese drempel haalt, maak dan vooraf de raming die artikel 35 van de concessiewet voorschrijft; roept u eenmaal de concessiewet en de rechtsbeschermingswet in, dan kan u daar tijdens het geding niet meer op terugkomen.

Te onthouden

  • Bij een opdracht tegen prijslijst met forfaitaire eenheidsprijzen mag de prijs per eenheid niet verschillen naargelang de bestelde hoeveelheid; een nulprijs voor een eerste schijf en een reëel tarief daarboven wijkt prima facie substantieel af van het bestek.
  • De aanbesteder kende D.R. 15/15 toe voor de prijs van het aanvullend netwerk zonder rekening te houden met het tarief boven de gratis hoeveelheid; de verzoekster kreeg 5,54/15 en eindigde op 76,61/100 tegenover 83,75/100.
  • Een gunningsbeslissing die steunt op een offerte die als onregelmatig had moeten worden afgewezen, levert een ernstig middel op — voldoende voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
  • Wie in het bestek en in de kennisgevingsbrief uitdrukkelijk naar de concessiewet en de rechtsbeschermingswet verwijst, kan tijdens het geding niet alsnog betwisten dat die wetgeving van toepassing is; bij twijfel over de drempel van 5.404.000 euro acht de Raad ze eerder wel dan niet toepasselijk (vgl. arrest nr. 240.673).
  • Het ontbreken van een voorafgaande raming in de zin van artikel 35 van de concessiewet speelt in het nadeel van de aanbesteder wanneer die zich later op de drempelwaarde wil beroepen.
  • De kosten en de rechtsplegingsvergoeding werden in beraad gehouden, gelet op het verdere procedureverloop na de schorsing.

Waarop letten

  • Het verschil tussen een korting op een totaalprijs en een afwijking van een voorgeschreven forfaitaire eenheidsprijs — enkel het tweede maakt de offerte onregelmatig.
  • Onduidelijkheid over de vraag of een aangeboden optie tot het basisnetwerk dan wel tot het aanvullend netwerk behoort: de aanbesteder kon dat ter zitting niet ophelderen, en die onduidelijkheid werkte tegen hem.
  • Het laattijdig meedelen van de subweging van een gunningscriterium, enkele uren voor de BAFO-deadline.
  • Het ongelijk verdelen van informatie over de te verwachten afname tussen de inschrijvers tijdens de BAFO-ronde.
  • De timing van een discussie over de drempelwaarde: na de nota en het administratief dossier, op basis van vertrouwelijke stukken waarover geen tegenspraak mogelijk was, is ze niet meer dienstig.

Stel jezelf de vraag

Laat uw bestek toe dat een eenheidsprijs varieert met het bestelde volume, en zo neen: hebt u nagegaan of de winnende offerte geen verkapte staffel bevat? Hebt u bij de beoordeling van een gratis aanbod ook gekeken naar de prijs die geldt zodra de gratis hoeveelheid overschreden is? Staat de weging van elk subcriterium in het bestek zelf, of hebt u die pas tijdens de BAFO-ronde meegedeeld? Kreeg elke inschrijver dezelfde informatie over de verwachte afname? En als aanbesteder: hebt u vóór de bekendmaking de waarde van uw concessie geraamd zoals artikel 35 van de concessiewet voorschrijft, zodat u achteraf niet hoeft te betwisten welk rechtsbeschermingsregime geldt?

Gerelateerde arresten

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →