Verwerping Nederlandstalig college

Van eerste naar tweede plaats bij IOK: wie de intrekking van een gunning laat passeren, kan het oude gunningsverslag niet meer als spiegel gebruiken

Arrest nr. 267491 · 20 augustus 2026 · XIIe vakantiekamer

IOK gunde de raamovereenkomst voor een veilinghuis eerst aan de NV C. met 86,5 %, trok die beslissing na bezwaren in, bevroeg de inschrijvers en kwam met een nieuw gunningsverslag tot een omgekeerde rangschikking waarin de BV B. met 84,71 % boven C. met 83 % uitkwam — en omdat C. haar vier middelen vrijwel uitsluitend bouwde op de verschillen tussen het oude en het nieuwe verslag, verwierp de Raad van State de vordering: een ingetrokken beslissing wordt geacht nooit te hebben bestaan, en ook haar motivering is dus geen ijkpunt meer.

Wat gebeurde er?

De dienstverlenende vereniging Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen (IOK) plaatste voor rekening van de bij haar Intergemeentelijke Aankoopdienst aangesloten besturen een dienstenopdracht ‘Groepsaankoop raamovereenkomst voor het aanstellen van een veilinghuis’, met bestek 202506VEI_LB. De raad van bestuur keurde de lastvoorwaarden en de gunningswijze goed op 7 november 2025; dezelfde dag werd de opdracht via e-procurement bekendgemaakt. Het gaat om één raamovereenkomst met één opdrachtnemer voor de online verkoop met kijkdag van goederen van de aangesloten besturen, voor 48 maanden vanaf 1 september 2026 tot 31 augustus 2030, geraamd op 339.320,51 euro excl. btw en met een maximaal afnamebedrag van 391.000,00 euro excl. btw. De opdracht werd niet in percelen verdeeld en werd gegund volgens de beste prijs-kwaliteitsverhouding via een openbare procedure met Europese bekendmaking. Het bestek voorzag drie gunningscriteria: de prijs, uitgedrukt als percentage dienstverleningskost, voor 40 punten; het plan van aanpak met garanties voor een kwaliteitsvolle uitvoering voor 35 punten; en het plan van aanpak voor communicatie en financiële afhandeling voor 25 punten. Voor de twee kwalitatieve criteria gold een minimumdrempel van 50 % van de punten op straffe van substantiële onregelmatigheid, en de beoordeling gebeurde volgens een vooraf bekendgemaakte schaal van ‘zeer zwak’ tot ‘uitstekend’, waarbij het bestek uitdrukkelijk bepaalde dat gelijkwaardige offertes eenzelfde beoordeling krijgen. De offertes moesten binnen zijn op 9 december 2025 om 10 uur. Op basis van het verslag van nazicht van 23 januari 2026 werd de NV C. eerst gerangschikt met 86,5 %, vóór de BV B. met 81,21 %, en op 6 maart 2026 besliste de raad van bestuur om haar de opdracht toe te wijzen. Alle inschrijvers werden op 10 maart 2026 per aangetekende brief en per e-mail ingelicht. Daarna kwamen er bezwaren. IOK nam het verslag van nazicht opnieuw grondig door en besliste op 20 maart 2026 om de gunningsbeslissing van 6 maart in te trekken. Die intrekking werd op 24 maart 2026 aan de inschrijvers meegedeeld, met vermelding van de wettelijke beroepsmogelijkheden. Niemand stelde beroep in. Wegens onduidelijkheden in de ingediende informatie en documentatie bevroeg IOK vervolgens enkele inschrijvers op grond van artikel 66, § 3 van de wet van 17 juni 2016, onder wie zowel C. als B. Dat leidde tot een nieuw verslag van nazicht van 25 juni 2026, met een omgekeerde rangschikking: B. eerst met 84,71 %, C. tweede met 83 %. Binnen het tweede gunningscriterium verschoven zeven punten — B. kreeg er 3,5 bij, C. verloor er 3,5 — en dat bepaalde de eindrangorde. Op 3 juli 2026 wees de raad van bestuur de opdracht toe aan B., tegen een dienstverleningskost van 14 %; de inschrijvers werden op 13 juli 2026 ingelicht. C. stelde op 28 juli 2026 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in; de zaak werd behandeld op 18 augustus 2026. Haar eerste drie middelen — schending van het gelijkheids-, transparantie- en zorgvuldigheidsbeginsel wegens een ‘ontoelaatbare herbeoordeling buiten de grenzen van een verduidelijking’, schending van de formele motiveringsplicht en het transparantiebeginsel, en schending van patere legem quam ipse fecisti en de bekendgemaakte beoordelingsmethodiek — waren alle drie opgebouwd rond een vergelijking van de twee gunningsverslagen. C. wees erop dat wat bij haar eerst als meerwaarde gold, zoals bijkomende dienstverlening bij het verwijderen van bestickering, sirenes en beschermende elementen, in het tweede verslag werd geneutraliseerd omdat niet duidelijk was of daarvoor een meerprijs werd gevraagd, terwijl bij B. aanvankelijk negatieve of ontbrekende elementen gunstiger werden beoordeeld — zo werd het ontbreken van een duidelijke termijn voor onlineplaatsing eerst negatief beoordeeld en nadien, uit verspreide termijnen afgeleid, als haalbaar binnen 21 kalenderdagen en dus goed. De Raad van State ging daar niet in mee. Een intrekking heeft, anders dan een opheffing, terugwerkende kracht: de ingetrokken bestuurshandeling verdwijnt ab initio uit de rechtsorde en wordt geacht nooit te hebben bestaan. Omdat C. de intrekking niet had aangevochten, moesten zowel de gunningsbeslissing van 6 maart 2026 als het gunningsverslag dat eraan ten grondslag lag als nooit bestaand worden beschouwd, en was IOK in beginsel niet langer gebonden door de motieven waarop die ingetrokken beslissing steunde. Een verzoekende partij kan dan ook in beginsel geen middel dienstig steunen op het loutere verschil in motivering tussen een ingetrokken en een daaropvolgende beslissing, en de aanbesteder is niet gehouden elk verschil in extenso toe te lichten: dat wél opleggen zou erop neerkomen dat aan de ingetrokken beslissing alsnog juridische gevolgen worden verbonden. Het kwam C. toe de nieuwe gunningsbeslissing en het nieuwe verslag op hun eigen merites te bekritiseren, en dat deed zij niet. De eerste drie middelen waren dus niet ernstig. Het vierde middel, waarin C. een ‘kennelijke beoordelingsfout en interne tegenstrijdigheid’ aanvoerde, strandde op de ontvankelijkheid: artikel 2, § 1 van het Regentsbesluit van 23 augustus 1948 vereist dat een middel de rechtsregel vermeldt én de wijze waarop die concreet zou zijn overtreden, en C. voerde geen enkele wettelijke bepaling of beginsel aan. Ten overvloede merkte de Raad op dat C. zich, wat het tweede gunningscriterium betreft, beperkte tot één volzin met drie beoordelingselementen waarop haar offerte beter werd beoordeeld, terwijl zij de meerdere elementen waarop de gekozen inschrijver positiever werd ingeschat buiten beschouwing liet — een kwalitatieve beoordeling moet in haar geheel worden gelezen. Omdat geen enkel middel ernstig werd bevonden, was niet voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 17, § 1 van de gecoördineerde wetten. De Raad willigde de tussenkomst van B. in, verwierp de vordering en verwees de tussenkomende partij in de kosten van haar tussenkomst, begroot op 150 euro. Over de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties hoefde hij zich niet uit te spreken.

Waarom doet dit ertoe?

De situatie in dit arrest komt vaker voor dan men zou denken: een aanbesteder gunt, krijgt bezwaren, herbekijkt zijn werk, trekt zijn beslissing in, vraagt verduidelijkingen en komt tot een andere uitkomst. Voor de inschrijver die daardoor van de eerste naar de tweede plaats zakt, ligt de verleiding voor de hand om de twee verslagen naast elkaar te leggen en elk verschil aan te wijzen. Dit arrest maakt duidelijk waarom dat een doodlopende weg is. Door de intrekking niet aan te vechten, heeft de inschrijver ook aanvaard dat het eerste verslag verdwijnt — niet naar de achtergrond, maar uit de rechtsorde, ab initio. Wat daarin stond is dus geen vaststaand feit meer waarvan de aanbesteder moet uitleggen waarom hij ervan afwijkt, en het verschil op zich bewijst geen onwettigheid. Wie de nieuwe beslissing wil aanvechten, moet aantonen wat er ín die nieuwe beoordeling mank loopt: welke concrete waardering welke bepaling of welk beginsel schendt, los van elke vergelijking. Daarnaast zit er een tweede, nuchtere les in het vierde middel. Een middel zonder rechtsregel is geen middel: de Raad van State construeert er geen voor u, en één volzin waarin u drie punten opsomt waarop u beter scoorde, weegt niet op tegen een kwalitatieve beoordeling die in haar geheel moet worden gelezen. Dat is geen formalisme maar de keerzijde van de tegenspraak: de verwerende partij moet weten waartegen ze zich verdedigt. Voor aanbesteders werkt het arrest in de andere richting bevrijdend. Een gunningsbeslissing intrekken en de beoordeling overdoen is een geldige manier om een procedure recht te zetten, en de nieuwe beslissing moet geen verantwoording afleggen tegenover de oude. Maar het is geen vrijbrief: de nieuwe beoordeling moet op haar eigen benen staan, en precies daar had een scherper middel de vordering wel kunnen dragen.

De les

Zakt u na een intrekking van eerste naar tweede plaats, dan hebt u twee keuzes en u moet ze op tijd maken. Ofwel vecht u de intrekkingsbeslissing zelf aan binnen de termijn die u bij de kennisgeving wordt meegedeeld — daarna is ze definitief en verdwijnt het oude gunningsverslag met terugwerkende kracht. Ofwel legt u zich daarbij neer, en dan moet uw beroep tegen de nieuwe gunning volledig op de nieuwe beoordeling zijn gebouwd: welke waardering steunt op onjuiste feiten, welk bestekvoorschrift is niet toegepast, welke schaalcategorie is bij gelijkwaardige offertes verschillend gebruikt. Verwijs niet naar het eerste verslag als maatstaf, want die deur is dicht. Noem in elk middel uitdrukkelijk de rechtsregel die geschonden zou zijn en leg uit hoe dat concreet gebeurde: ‘kennelijke beoordelingsfout en interne tegenstrijdigheid’ is geen rechtsgrond. En bekritiseer de kwalitatieve beoordeling in haar geheel; enkel de punten opsommen waarop u beter werd beoordeeld, terwijl u de punten waarop uw concurrent beter scoorde weglaat, ondergraaft uw eigen betoog. Bent u aanbesteder, dan mag u na een intrekking in andere zin beslissen zonder elk verschil met de vroegere motivering uit te leggen — maar zorg dat uw nieuwe verslag zelfstandig leesbaar en verdedigbaar is, dat de bevraging op grond van artikel 66, § 3 beperkt blijft tot verduidelijking en niet tot het ontstaan van een nieuwe offerte leidt, en dat u de bekendgemaakte beoordelingsschaal bij alle inschrijvers gelijk toepast. Deel de intrekking altijd mee met vermelding van de beroepsmogelijkheden: dat is wat haar definitief maakt.

Te onthouden

  • Een intrekking heeft, anders dan een opheffing, terugwerkende kracht: de ingetrokken gunningsbeslissing én het onderliggende gunningsverslag worden geacht nooit te hebben bestaan.
  • Wie de intrekking niet aanvecht, kan nadien geen middel dienstig steunen op het loutere verschil in motivering tussen het ingetrokken en het nieuwe gunningsverslag.
  • De aanbestedende overheid mag na een intrekking in andere zin beslissen en moet niet in extenso elk verschil met de vroegere motivering toelichten; dat wél eisen zou aan de ingetrokken beslissing alsnog rechtsgevolgen verbinden.
  • De verzoekende partij moet aantonen wat er, los van elke vergelijking, concreet onwettig is aan de beoordeling waarop de bestreden beslissing steunt.
  • Een middel dat geen rechtsregel vermeldt — hier ‘een kennelijke beoordelingsfout en interne tegenstrijdigheid’ — is onontvankelijk; de Raad van State construeert geen middelen uit een juridisch niet onderbouwde uiteenzetting.
  • Een kwalitatieve beoordeling moet in haar geheel worden gelezen: enkel de elementen aanhalen waarop uw offerte beter werd beoordeeld, volstaat niet.
  • Zeven punten verschil binnen één gunningscriterium (B. +3,5, C. −3,5) volstonden om de rangorde te kantelen — de inzet van een herbeoordeling is dus reëel, ook bij nauwe scores.
  • Wordt geen enkel middel ernstig bevonden, dan hoeft de Raad zich niet uit te spreken over de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties; de tussenkomende partij draagt haar tussenkomstrecht van 150 euro.

Waarop letten

  • De termijn en de beroepsmogelijkheden die bij de kennisgeving van een intrekking worden vermeld — dat is het venster waarin de intrekking nog te bestrijden is.
  • De grens tussen een bevraging op grond van artikel 66, § 3 en een herbeoordeling: het verwijt van een ‘ontoelaatbare herbeoordeling’ moet worden onderbouwd tegenover de nieuwe beslissing zelf, niet tegenover de oude.
  • De formulering van elk middel: rechtsregel plus concrete schending, conform artikel 2, § 1 van het Regentsbesluit van 23 augustus 1948.
  • De minimumdrempels per kwalitatief gunningscriterium (hier 50 % op straffe van substantiële onregelmatigheid) en de bekendgemaakte beoordelingsschaal.
  • De bepaling in het bestek dat gelijkwaardige offertes eenzelfde beoordeling krijgen — een bruikbaar aanknopingspunt, maar alleen als de ongelijke toepassing binnen het nieuwe verslag wordt aangetoond.

Stel jezelf de vraag

Hebt u, als inschrijver die na een intrekking terugvalt, tijdig beslist of u die intrekkingsbeslissing zelf aanvecht — en beseft u dat u zonder dat beroep het oude gunningsverslag niet meer als maatstaf kunt gebruiken? Is uw middel opgebouwd rond wat er in de nieuwe beoordeling concreet onwettig is, of rond de verschillen met de vorige? Vermeldt elk van uw middelen de rechtsregel die geschonden zou zijn en de wijze waarop dat concreet is gebeurd? Leest u de kwalitatieve beoordeling in haar geheel, inclusief de elementen waarop uw concurrent beter scoorde? En als aanbesteder: staat uw nieuwe gunningsverslag op zichzelf, blijft uw bevraging op grond van artikel 66, § 3 binnen de grenzen van een verduidelijking, en past u de bekendgemaakte schaal bij gelijkwaardige offertes op dezelfde manier toe?

Gerelateerde arresten

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →