Verwerping Nederlandstalig college

Getekend boven de statutaire grens van 100.000 euro: de Raad van State laat de gunning van de Gentse Winterfeesten 2026-2030 overeind

Arrest nr. 267746 · 21 september 2026 · XIVe kamer

Een afgewezen inschrijver vocht de gunning van de concessie voor de Gentse Winterfeesten 2026-2030 aan omdat de winnende offerte was ondertekend door iemand die volgens de statuten de vennootschap alleen kon verbinden tot 100.000 euro, terwijl de concessie dat bedrag ruim overschreed — maar de Raad van State oordeelde dat zo’n statutaire bedragenlimiet krachtens artikel 5:73, § 2, tweede lid, WVV niet aan de aanbestedende overheid kan worden tegengeworpen, zodat de offerte de inschrijver al bij indiening bond en de nadien bijgebrachte volmacht geen regularisatie was maar een overbodige bevestiging.

Wat gebeurde er?

De Stad Gent schreef met een open oproep een concessie van diensten uit voor het organiseren van de Gentse Winterfeesten in de binnenstad. Een eerste poging strandde: het college keurde op 26 maart 2026 de gunning aan de bv E. goed, maar trok die beslissing op 13 april 2026 in en zette de plaatsingsprocedure stop. Op 27 mei 2026 keurde de gemeenteraad aangepaste concessiedocumenten goed voor de eindejaarsperiodes 2026/2027 tot en met 2029/2030, met de mogelijkheid tot verlenging voor 2030/2031 en 2031/2032 — maximaal zes jaarlijkse edities. Als plaatsingswijze koos de stad voor een sui generis onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking, nationaal én Europees bekendgemaakt, en in één fase: de inschrijvers dienden meteen een volledige offerte in. Het bestek vroeg minimaal een schaatspiste en een kerstmarkt, verspreid over het Sint-Baafsplein, de Botermarkt, het Emile Braunplein, de Poeljemarkt, het Goudenleeuwplein, Klein Turkije en de Korenmarkt, en legde de concessiehouder een jaarlijkse vergoeding van 150.000 euro plus 21 % btw op. De offertes werden beoordeeld op drie gunningscriteria: de algemene kwaliteit van het concept (50 punten), duurzaamheid (40 punten) en het plan van aanpak voor coördinatie en inzet van personeel (10 punten). Uiterste indieningsdatum was 10 juli 2026 om 10.00 uur, verplicht elektronisch via publicprocurement.be, met een gekwalificeerde elektronische handtekening op het indieningsrapport. Drie inschrijvers dienden een offerte in. Het beoordelingsverslag van 5 augustus 2026 onderzocht de regelmatigheid aan de hand van vier vragen en stelde daarbij vast dat de offerte van de gekozen inschrijver was ondertekend door N.C., terwijl uit de in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde statuten bleek dat ‘iedere bestuurder afzonderlijk, ook wanneer er meerdere zijn, de vennootschap vertegenwoordigt jegens derden (…) met uitzondering van rechtshandelingen waarvan de waarde meer is dan honderdduizend euro’. De waarde van de offerte ging dat bedrag te boven, dus vroeg de stad bijkomende documentatie op; op basis van het overgemaakte stuk — een volmacht van 30 juli 2026 — besloot zij dat de ondertekening rechtsgeldig was. Na toetsing aan de gunningscriteria eindigde de gekozen inschrijver op 70 punten, de verzoekende partij op 62 en de derde inschrijver op 50. Op 10 augustus 2026 gunde het college de concessie aan de bv E. en bracht het de verzoekende partij dezelfde dag op de hoogte, samen met het gunningsverslag. Na briefwisseling tussen 21 en 24 augustus 2026 — waarin de verzoekende partij stelde dat de volmacht van 30 juli 2026 net ‘bevestigt dat [N.C.] niet beschikte over de nodige handtekeningsbevoegdheid ten tijde van de ondertekening’ — vorderde zij op 25 augustus 2026 de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De zitting vond plaats op 16 september 2026. De Raad van State veegde het enige middel van tafel op twee niveaus. Feitelijk: in het offertedossier stond de hoedanigheid van de ondertekenaar wel degelijk ondubbelzinnig vermeld, en dat vóór het verstrijken van de indieningstermijn — de ‘verbintenis van terbeschikkingstelling middelen’ van 30 juni 2026 was ondertekend door ‘N.C., vast vertegenwoordiger van de bv Y.’ en het document van voorlopig bewijs door ‘N.C. — vast vertegenwoordiger van de bv Y. in haar hoedanigheid van bestuurder van [de gekozen inschrijver]’. De premisse dat N.C. in eigen naam zou hebben getekend, miste dus feitelijke grondslag. Juridisch: krachtens artikel 5:73, § 2, tweede lid, WVV kunnen statutaire beperkingen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet aan derden worden tegengeworpen, ook al zijn ze openbaar gemaakt. De grens van 100.000 euro is dus een louter internvennootschappelijke beperking; de overschrijding ervan doet op zichzelf geen afbreuk aan de gebondenheid van de vennootschap jegens de aanbestedende overheid. Dat de stad toch bijkomende stukken opvroeg, noemde de Raad ‘eerder een blijk van zorgvuldigheid (…) dan een aanwijzing van het tegendeel’, maar het veranderde niets aan het feit dat de inschrijver al door zijn offerte verbonden was. De aanvaarde volmacht hield dan ook geen regularisatie in en bracht niets bij dan de bevestiging van een reeds bestaande bevoegdheid — een civielrechtelijke bevestiging in de zin van artikel 1.8, § 4, van het Burgerlijk Wetboek kan hoogstens meespelen voor de aansprakelijkheid van N.C. tegenover zijn eigen vennootschap. De offerte was niet substantieel onregelmatig, het enige middel was niet ernstig, de tussenkomst van de bv E. werd ingewilligd en de vordering tot schorsing werd verworpen.

Waarom doet dit ertoe?

De handtekening onder een offerte is een van de dankbaarste aanvalsvlakken in het aanbestedingscontentieux: wie niet rechtsgeldig ondertekent, verbindt zich niet, en een offerte die de inschrijver niet bindt, is substantieel onregelmatig. Dit arrest zet daar een scherpe grens op. De aanvalslijn van de verzoekende partij was op het eerste gezicht sterk — de statuten van de winnaar beperkten de tekenbevoegdheid van één bestuurder uitdrukkelijk tot 100.000 euro, de concessie was veel meer waard, en de volmacht die dat moest oplossen dateerde van drie weken ná de indieningsdatum. Toch sneuvelt zij op vennootschapsrecht: artikel 5:73, § 2, tweede lid, WVV maakt statutaire beperkingen van de vertegenwoordigingsmacht niet-tegenwerpelijk aan derden, zelfs wanneer ze netjes in het Belgisch Staatsblad zijn gepubliceerd. Wat naar buiten toe telt, is de organieke vertegenwoordigingsmacht; de bedragenlimiet regelt enkel de verhouding tussen de bestuurder en zijn vennootschap. Daarmee valt de hele discussie over het tijdstip van de volmacht weg: je hoeft geen bevoegdheid te herstellen die er al was. Het arrest is ook leerrijk voor aanbesteders. De Stad Gent deed iets dat zich makkelijk tegen haar had kunnen keren — zij zag een statutaire clausule, twijfelde, vroeg stukken op en noemde het resultaat een ‘regularisatie’. De Raad kwalificeert dat vragen als zorgvuldigheid en niet als een impliciete erkenning van een gebrek, en stelt vast dat een verkeerd etiket (‘regularisatie’ waar niets te regulariseren viel) de gunning niet onwettig maakt. Tot slot bevestigt het arrest dat de regelmatigheidstoets voor concessies onder de wet van 17 juni 2016 en het KB van 25 juni 2017 parallel loopt met die voor klassieke overheidsopdrachten: dezelfde vragen over handtekening, hoedanigheid en volmacht, dezelfde definitie van substantiële onregelmatigheid. Dat is relevant voor een groeiende groep opdrachten — van evenementenconcessies zoals deze tot deelfietsen en horeca-uitbatingen — waar de concessiehouder betaalt in plaats van betaald wordt.

De les

Wilt u als afgewezen inschrijver de handtekening van uw concurrent aanvallen, maak dan eerst het onderscheid dat dit arrest beslissend maakt: gaat het om een échte afwezigheid van vertegenwoordigingsmacht, of om een statutaire beperking daarvan? Het eerste raakt de geldigheid van de verbintenis, het tweede niet — artikel 5:73, § 2, tweede lid, WVV maakt statutaire beperkingen niet-tegenwerpelijk aan derden, ook als ze gepubliceerd zijn. Een bedragenlimiet in de statuten is dus meestal geen bruikbaar middel. Lees ook het volledige offertedossier vóór u een middel bouwt: hoedanigheidsvermeldingen in bijlagen zoals het document van voorlopig bewijs of een verbintenis van terbeschikkingstelling van middelen tellen mee, en kunnen uw premisse onderuit halen. Dient u zelf een offerte in, dan luidt de les omgekeerd: vermeld uw hoedanigheid uitdrukkelijk bij de handtekening (art. 2:53 WVV), en wanneer u tekent als vaste vertegenwoordiger van een rechtspersoon-bestuurder, schrijf die keten dan voluit — precies dat redde hier de winnende offerte. Voeg de statuten en het bewijs van uw bevoegdheid toe bij indiening, niet erna. Bent u aanbesteder, dan mag u gerust bijkomende stukken opvragen wanneer een statutaire clausule vragen oproept: dat is zorgvuldigheid. Maar noem het beestje bij de naam. Wie een overbodige bevestiging een ‘regularisatie’ noemt, schrijft in zijn eigen verslag dat er een onregelmatigheid was — en nodigt daarmee een beroep uit dat hij niet nodig had.

Te onthouden

  • Een statutaire bedragenlimiet op de tekenbevoegdheid van een bestuurder (hier 100.000 euro) is krachtens artikel 5:73, § 2, tweede lid, WVV niet tegenwerpelijk aan derden, ook al is zij in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd; de overschrijding ervan tast de gebondenheid van de inschrijver jegens de aanbestedende overheid niet aan.
  • Wie tekent als vaste vertegenwoordiger van een rechtspersoon-bestuurder, moet die hoedanigheid vermelden (artt. 2:53 en 2:55 WVV); staat ze ondubbelzinnig in het offertedossier vóór de indieningstermijn, dan is een afzonderlijke volmacht niet vereist.
  • Vermeldingen in bijlagen bij de offerte — het document van voorlopig bewijs, een verbintenis van terbeschikkingstelling van middelen — tellen mee bij de vraag in welke hoedanigheid iemand heeft getekend.
  • Een volmacht die een reeds bestaande bevoegdheid bevestigt, is geen regularisatie; dat de aanbesteder haar wél zo noemt, maakt de gunning niet onwettig.
  • Bijkomende stukken opvragen bij twijfel over de ondertekeningsbevoegdheid is volgens de Raad een blijk van zorgvuldigheid, geen erkenning van een gebrek.
  • De regelmatigheidstoets voor concessies (wet 17 juni 2016 en KB 25 juni 2017) loopt parallel met die voor klassieke overheidsopdrachten, inclusief de definitie van substantiële onregelmatigheid in artikel 30 van het KB.
  • De concessie zelf: zes mogelijke edities van de Gentse Winterfeesten, minimaal een schaatspiste en een kerstmarkt over zeven binnenstadspleinen, tegen een jaarlijkse concessievergoeding van 150.000 euro plus btw; gegund op 70 tegen 62 punten.

Waarop letten

  • Het verschil tussen de afwezigheid van vertegenwoordigingsmacht (raakt de offerte) en een statutaire beperking ervan (raakt enkel de interne verhouding).
  • Het tijdstip waarop de hoedanigheid blijkt: in dit dossier stond zij al in stukken van 30 juni 2026, dus vóór de deadline van 10 juli 2026 — dat is wat het middel de das omdeed.
  • De bewoordingen in uw eigen beoordelingsverslag: het woord ‘regularisatie’ suggereert een onregelmatigheid die er misschien niet was.
  • Bij een UDN-vordering toetst de Raad enkel of een middel ernstig is of een onwettigheid klaarblijkelijk; een prima facie beoordeling van vennootschapsrechtelijke vragen volstaat dan.
  • Dat een eerdere gunning in dezelfde procedure werd ingetrokken (26 maart 2026, ingetrokken op 13 april 2026) en de procedure werd overgedaan — een herstart is geen garantie op een vlekkeloos vervolg.

Stel jezelf de vraag

Weet u of de beperking die u in de statuten van uw concurrent leest een echte grens op de vertegenwoordigingsmacht is, of een interne beperking die krachtens artikel 5:73, § 2, tweede lid, WVV niet aan de aanbestedende overheid kan worden tegengeworpen? Hebt u vóór u een middel over de handtekening opbouwt het hele offertedossier nagelezen op hoedanigheidsvermeldingen in bijlagen, en niet alleen het indieningsrapport? Vermeldt u bij uw eigen offerte uitdrukkelijk in welke hoedanigheid u tekent, en schrijft u de volledige keten uit wanneer u optreedt als vaste vertegenwoordiger van een rechtspersoon die bestuurder is? Zitten de statuten en het bewijs van uw bevoegdheid in het dossier op het ogenblik van indiening, en niet pas na een vraag van de aanbesteder? En als aanbesteder: benoemt u wat u doet wanneer u bijkomende stukken opvraagt — een bevestiging van een bestaande bevoegdheid, of een echte regularisatie van een gebrek?

Gerelateerde arresten

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →