Verwerping Franstalig college

De Raad van State wijkt af van zijn eigen schorsingsarrest: de vergunningsdatum als referentie-eis doorstaat wél de bodemtoets in de DBFMO-opdracht voor Waver en Paifve

Arrest nr. 267424 · 22 juli 2026 · VIe kamer

De groepering Forecare — CIT Blaton, Entreprises Générales Dherte, het Centre Régional de Soins Psychiatriques Les Marronniers en AG Real Estate — werd niet geselecteerd voor de DBFMO-opdracht voor twee forensisch psychiatrische centra van elk 250 plaatsen in Waver en Paifve, omdat een van haar twee ingenieursreferenties, het ziekenhuis CHC MontLégia, een stedenbouwkundige vergunning van 8 juli 2013 droeg en dus buiten de referentieperiode viel; de Raad van State had die niet-selectie in april 2024 nog geschorst, maar verwerpt nu het vernietigingsberoep en wijkt uitdrukkelijk af van zijn eigen schorsingsarrest, omdat de vergunningsdatum geen verboden bewijsmiddel is maar een kenmerk van de referentie zelf, en het criterium zowel pertinent als proportioneel blijkt.

Wat gebeurde er?

Op 26 juli 2023 publiceerde de Regie der Gebouwen in het Bulletin der Aanbestedingen — en op 31 juli 2023 in het Publicatieblad van de Europese Unie — een aankondiging voor een DBFMO-opdracht voor de realisatie van forensisch psychiatrische centra in Waver en Paifve. Elk centrum moet 250 plaatsen tellen; de gekozen opdrachtnemer ontwerpt, bouwt, financiert, onderhoudt en exploiteert het gedurende vijfentwintig jaar. De opdracht werd in twee percelen gesplitst — perceel 1 Waver, perceel 2 Paifve — en geplaatst via een concurrentiegerichte dialoog in drie fasen: selectie, dialoog en gunning. De Regie trad op in eigen naam en voor rekening van het RIZIV, de FOD Volksgezondheid en de FOD Justitie. In haar memorie van antwoord schetste zij de achtergrond: België werd tussen 1998 en 2021 herhaaldelijk door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens veroordeeld wegens de opsluiting van geïnterneerden, met het pilootarrest W.D. tegen België als keerpunt en de interneringswet van 5 mei 2014 als antwoord; in een arrest van 6 september 2021 stelde het Hof opnieuw een schending van de artikelen 3 en 5, § 1, van het Verdrag vast, en het CPT noemde de toestand van de inrichting tot bescherming van de maatschappij in Paifve in 2017 ‘alarmerend’. De aankondiging voorzag in een indieningstermijn tot 2 oktober 2023 om 10 uur; op 29 september 2023 volgde een rechtzettingsbericht. De verzoekende partijen dienden op 9 oktober 2023 als groepering Forecare een aanvraag tot deelneming in, samen met vier andere groeperingen. Het knelpunt lag bij één deelaspect van de kwalitatieve selectie. De selectieleidraad vroeg referenties voor zes projectaspecten, waaronder ‘kwaliteitsvol ontwerp van gebouwen’, dat op zijn beurt minstens twee en hoogstens drie referenties vergde inzake ‘ingenieursontwerp van een complex gebouw (techniek en duurzaamheid)’. Voor dat ontwerpluik gold een eigen tijdsvoorwaarde: alleen gebouwen waarvan de vergunning was goedgekeurd in de vijf jaar vóór de referentiedatum telden mee, een periode die de Regie tot tien jaar uitbreidde om voldoende mededinging te waarborgen. Een vraag-en-antwoord op het publicatieforum maakte dat expliciet: de vergunning moest zijn verleend tussen 3 oktober 2013 en 2 oktober 2023. Voor het bouwluik gold daarentegen een andere tijdsvoorwaarde, gekoppeld aan de aanvang of de voorlopige oplevering van de werken, en voor nog andere criteria de datum van ondertekening van de referentieovereenkomst. Forecare diende voor het ingenieursontwerp twee referenties in: het ziekenhuis CHC MontLégia en Brussels Airport Company. De vergunning voor MontLégia dateerde van 8 juli 2013 — bijna drie maanden te vroeg. Na een vraag om toelichting van 14 november 2023 antwoordde Forecare op 27 november 2023 met een gewijzigde stedenbouwkundige vergunning van 8 december 2017. Die betrof echter de uitbreiding van de grindparking van ongeveer 300 naar ongeveer 700 plaatsen en bijbehorende landschapsaanleg. De Regie oordeelde dat een parkinguitbreiding geen complex gebouw is in de zin van de leidraad en dat het beschreven ingenieurswerk — versterking van de elektriciteit, een nieuwe studie over verlichting, beheer van plaatsen en slagbomen, nieuwe en gewijzigde wegenis, bijkomende sleuven en actualisering van de elektrische borden — weliswaar normaal ontwerpwerk is, maar niet betekenisvol in het licht van een complex gebouw. Er bleef dus één relevante referentie over in plaats van twee. Op 12 maart 2024 besliste de Regie het consortium Forecare niet te selecteren, voor geen van beide percelen. Dat is de bestreden akte. Bij arrest nr. 259.671 van 30 april 2024 schorste de Raad van State de tenuitvoerlegging van die beslissing. Het vernietigingsberoep, ingesteld op 28 maart 2024, loopt echter anders af. Eerst de tussenkomst. In mei 2025 vroeg de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, om in de zaak tussen te komen: de opdracht wordt voor zijn rekening uitgevoerd, een vernietiging zou de procedure volledig hernemen en de bouw van beide centra jarenlang vertragen, met een weerslag op de overbevolking en op andere lopende procedures met gelijkaardige selectiecriteria. De Raad verklaart die tussenkomst onontvankelijk. Artikel 52, § 1, van het algemeen procedurereglement laat een laattijdige tussenkomst enkel toe als zij de rechtspleging niet vertraagt. De Staat was op de hoogte gehouden van het verloop, onder meer van de schorsing bij arrest nr. 259.671, en geeft zelf aan pas te hebben willen tussenkomen ‘wegens de oriëntatie van het auditoraatsverslag’ en wegens recente evoluties in de gevangeniscapaciteit. De laattijdigheid is dus een keuze, en zij vertraagde de zaak wel degelijk: de auditeur, die zijn verslag al had neergelegd, moest een aanvullend verslag schrijven op grond van artikel 14, derde lid, over de vraag tot handhaving van de gevolgen. Dan het enige middel, in drie onderdelen. In de eerste twee onderdelen betoogde Forecare dat de eis van een binnen de referentieperiode goedgekeurde vergunning neerkomt op een bewijsmiddel dat artikel 68, § 4, 1°, a) en b), van het KB van 18 april 2017 niet toelaat. Die bepaling — die artikel 60 en bijlage XII van richtlijn 2014/24/EU omzet — bevat een gesloten lijst van bewijsmiddelen, en volgens het Ambisig-arrest van het Hof van Justitie van 7 juli 2016 mogen aanbesteders geen nieuwe bewijsmiddelen eisen, de draagwijdte van de bestaande niet beperken en er geen bijkomende eisen aan verbinden die hun aard of voorwaarden wezenlijk wijzigen, precies om buitensporige bewijseisen en een moeilijker toegang tot overheidsopdrachten te voorkomen. Forecare voerde aan dat ingenieursdiensten grotendeels ná de vergunning worden geleverd, zodat het koppelen van de referentie aan de vergunningsdatum prestaties uit de referentieperiode uitsluit. De Raad volgt dat niet. De vergunningsdatum is slechts een kenmerk van de ingeroepen referentie, waarmee wordt bepaald of zij binnen de periode van maximaal tien jaar valt — naar zijn aard niet anders dan de datum van ondertekening van de overeenkomst, die in dezelfde opdracht voor andere criteria wordt gebruikt. Het gevraagde bewijs blijft een lijst van uitgevoerde werken of geleverde diensten; de referenties op die lijst moeten alleen in al hun kenmerken beantwoorden aan het gekozen selectiecriterium. Forecare had ook geen moeite om het bestaan van een referentie te bewijzen — haar referentie voldeed simpelweg niet aan de eisen. In één zin die de hele zaak tekent, besluit de Raad dat het zich rechtvaardigt af te wijken van de oplossing die het schorsingsarrest nr. 259.671 had weerhouden. Het derde onderdeel betrof de pertinentie en de proportionaliteit van het criterium, getoetst aan artikel 71 van de wet van 17 juni 2016. De aanbesteder heeft daar een ruime beoordelingsbevoegdheid, begrensd door de vereiste dat criterium en drempel pertinent zijn en in verhouding staan tot het voorwerp. Over de pertinentie: de leidraad wilde de bekwaamheid meten om een volledige ontwerpopdracht van een complex gebouw te dragen, met technische overwegingen die vanaf de eerste ontwerpfasen rekening houden met de bestemming — de visie op internering, rehabilitatie en re-integratie, de personeelsinzet, de veiligheid, de stromen van verschillende doelgroepen, de toegangscontrole en de levenskwaliteit van de geïnterneerden. Dat verklaart de koppeling aan de vergunning: zo is de ingeroepen ervaring een volledige en voldoende recente ontwerpopdracht. Het argument dat het meeste ingenieurswerk ná de vergunning gebeurt, weerlegt dat niet, en het keert zich zelfs tegen Forecare: het document over de tussenkomstvoorwaarden van de raadgevend ingenieurs dat zij zelf neerlegde, rekent de voorontwerp- en ontwerpstudies — die eindigen met de stukken voor de vergunningsaanvraag — samen goed voor zestig procent van het ereloon. Bovendien tellen prestaties van ná de vergunning wél mee, want de drempels van 35 miljoen en 18 miljoen euro slaan op de totale waarde van de ontworpen gebouwen. Het argument dat een vergund project nooit uitgevoerd hoeft te worden, stuit dan weer op de eis van een attest van goede uitvoering van de bouwheer: het gebouw moet dus zijn gebouwd. Over de proportionaliteit weegt de Raad vijf elementen. Het gaat om een financieel en politiek aanzienlijke opdracht met Europese bekendmaking, wat hoge selectie-eisen wettigt. De leidraad was duidelijk over de gewilde strengheid op ontwerpkwaliteit vanaf de beginfase. Van de vijf kandidaten viel enkel Forecare op dit criterium af; dat vier andere eraan voldeden, wijst niet op een overdreven beperking van de mededinging. Uit een e-mail van 21 november 2023 blijkt dat Forecare zelf had aangeboden een andere referentie te leveren naast MontLégia, wat suggereert dat zij dacht daartoe in staat te zijn. En vooral: de Regie had de referentieperiode van vijf tot tien jaar opgerekt, aanzienlijk ruimer dan het regelgevende minimum, wat de beperkende werking sterk tempert. Een beperking van de mededinging is bovendien inherent aan elk selectiecriterium; dat één operator afvalt, volstaat niet om het criterium onevenredig te noemen. Het middel is in geen van zijn onderdelen gegrond. De vraag van de Regie om met toepassing van artikel 35/1 herstelmaatregelen aan te wijzen, valt weg bij een verwerping. De kosten: de tussenkomende Staat draagt het recht van 150 euro dat aan zijn tussenkomst verbonden is; de vier verzoekende partijen dragen elk een vierde van de rolrechten van 1.600 euro, de bijdragen van 48 euro en de rechtsplegingsvergoeding van 924 euro die aan de Regie wordt toegekend.

Waarom doet dit ertoe?

Het opvallendste aan dit arrest staat in één zin halverwege: het rechtvaardigt zich af te wijken van de oplossing die de Raad zelf in het schorsingsarrest had weerhouden. Wie een schorsing binnenhaalt, heeft een prima-facie-oordeel gewonnen, geen zaak. Het schorsingscontentieux draait om een snelle beoordeling van de ernst van het middel; de bodemprocedure kent een volledig onderzoek, kruisende memories en een auditoraatsverslag, en kan tot het omgekeerde besluiten. Voor de praktijk betekent dit dat een geschorste aanbesteder niet noodzakelijk verloren heeft, en dat een succesvolle verzoeker zijn commerciële beslissingen beter niet op een schorsing alleen bouwt. Hier kostte het de vier verzoeksters, ruim twee jaar later, samen 1.600 euro rolrechten, 48 euro bijdragen en 924 euro rechtsplegingsvergoeding — en vooral de plaats aan de dialoogtafel van een opdracht van deze omvang. Inhoudelijk trekt het arrest een lijn die bij referentie-eisen voortdurend onduidelijk blijft. De gesloten lijst van artikel 68, § 4, en de Ambisig-rechtspraak beschermen tegen buitensporige bewijseisen: de aanbesteder mag niet eisen dat u uw ervaring op een andere manier aantoont dan met een lijst van uitgevoerde werken of geleverde diensten met attesten van goede uitvoering. Wat die bescherming níét doet, is bepalen welke referenties inhoudelijk meetellen. Het onderscheid dat de Raad maakt, is dat tussen de manier van bewijzen en de kenmerken van het bewezen feit. Een vergunningsdatum zegt niets over hoe u iets moet aantonen; ze zegt wat u moet aantonen. Zolang de aanbesteder binnen de eigenlijke bewijsmiddelen blijft, mag hij de referenties die daarin passen scherp afbakenen — en die afbakening wordt dan getoetst aan artikel 71: pertinentie en proportionaliteit, niet aan de bewijsregels. Die tweede toets is in dit arrest bijzonder instructief, omdat de Raad zichtbaar maakt wat een aanbesteder moet doen om ze te doorstaan. De Regie had voor elk projectaspect een eigen tijdsvoorwaarde bepaald — vergunning voor ontwerp, aanvang of voorlopige oplevering voor bouw, contractdatum voor andere aspecten — en die keuze in de leidraad uitgelegd vanuit wat zij wilde meten. Zij had de periode bovendien vrijwillig van vijf naar tien jaar uitgebreid. Net die twee dingen dragen het arrest: het criterium is pertinent omdat het aansluit bij een volledige ontwerpopdracht, en het is proportioneel onder meer omdat de referentieperiode ruim werd opgerekt en vier van de vijf kandidaten er wel aan voldeden. Een aanbesteder die zijn referentie-eisen niet uitlegt en de minimumperiodes hanteert, staat merkbaar zwakker. Voor kandidaten zit de bitterste les in het detail. Forecare verloor haar plaats op een verschil van bijna drie maanden op een vergunning van 2013, en de reddingspoging — een gewijzigde vergunning uit 2017 voor een parkinguitbreiding — maakte het erger, want ze bevestigde dat het aanvullende ontwerpwerk geen complex gebouw betrof. Wie een referentie inzet waarvan hij zelf de datum bevestigt, kan die datum niet meer repareren. En het argument dat het echte ingenieurswerk later komt, botste op een document dat de verzoeksters zelf hadden neergelegd. In een selectiegeschil telt niet alleen wat u aanvoert, maar ook wat uw eigen stukken bewijzen. Tot slot een procedurele les die zelden zo scherp wordt geformuleerd. De Belgische Staat — begunstigde van de opdracht, met een onmiskenbaar belang bij de uitkomst — kwam te laat tussen, en de Raad noemt die laattijdigheid een keuze: hij was op de hoogte gehouden en besloot pas te reageren toen het auditoraatsverslag de verkeerde kant op leek te gaan. Dat kostte hem de toegang tot het debat én 150 euro. Wie werkelijk belang heeft bij een aanbestedingsgeschil, komt tussen zodra hij van het beroep weet, niet wanneer de wind draait.

De les

Bent u kandidaat of inschrijver, lees de referentie-eisen dan aspect per aspect en let vooral op de tijdsvoorwaarde, want die kan per aspect verschillen: een vergunningsdatum voor ontwerp, een aanvangs- of opleveringsdatum voor bouw, een contractdatum voor nog andere criteria. Toets uw portfolio vóór de indieningsdatum aan elk van die data afzonderlijk en houd marge: hier scheelde het bijna drie maanden. Vindt u de eis onwettig, vecht ze dan aan vóór de indieningstermijn verstrijkt, in plaats van te hopen dat ze achteraf sneuvelt — de gesloten lijst van bewijsmiddelen van artikel 68, § 4, beschermt u tegen buitensporige bewijsvormen, niet tegen strenge inhoudelijke referentie-eisen. Wilt u de pertinentie of de proportionaliteit aanvallen, dan moet u meer aandragen dan de vaststelling dat u er zelf uitvalt: een selectiecriterium beperkt per definitie de mededinging. Toon aan dat de eis verder gaat dan nodig en operatoren uitsluit die de opdracht wél aankunnen — het gegeven dat vier van de vijf kandidaten wél voldeden, is dan een moeilijk te overwinnen tegenargument. Controleer ten slotte uw eigen stukken: het document over de erelonen van raadgevend ingenieurs dat Forecare neerlegde, ondergroef haar eigen stelling. En wint u de schorsing, vier dan niet te vroeg: de bodemprocedure kan het omgekeerde beslissen. Bent u aanbesteder, dan toont dit arrest hoe u strenge referentie-eisen overeind houdt. Leg in de selectieleidraad uit wát u met elk criterium wilt meten en waarom de gekozen tijdsvoorwaarde daarbij past — de koppeling aan de vergunning hield stand omdat de leidraad expliciet een volledige ontwerpopdracht beoogde, inclusief de technische keuzes uit de vroegste fasen. Blijf binnen de bewijsmiddelen van artikel 68, § 4: eis een lijst van uitgevoerde werken of geleverde diensten met attesten van goede uitvoering, en gebruik bijkomende voorwaarden om de referenties inhoudelijk af te bakenen, niet om een ander soort bewijs te vragen. Verruim de referentieperiode wanneer dat de mededinging ten goede komt; die vrijwillige verruiming van vijf naar tien jaar woog hier zwaar in uw voordeel. Gebruik een vraag-en-antwoordforum om de eis ondubbelzinnig te maken, en vraag toelichting aan een kandidaat vóór u beslist. En hebt u belang bij een hangend beroep, kom dan tijdig tussen: wachten tot na het auditoraatsverslag maakt uw tussenkomst onontvankelijk.

Te onthouden

  • De Raad van State kan in de bodemprocedure uitdrukkelijk afwijken van zijn eigen schorsingsarrest: hier week hij af van arrest nr. 259.671 van 30 april 2024, dat de niet-selectie nog had geschorst.
  • De gesloten lijst van bewijsmiddelen van artikel 68, § 4, 1°, a) en b) van het KB van 18 april 2017 en de Ambisig-rechtspraak beschermen tegen buitensporige bewijsvormen, niet tegen strenge inhoudelijke referentie-eisen.
  • Een vergunningsdatum is geen bewijsmiddel maar een kenmerk van de referentie waarmee wordt bepaald of zij binnen de referentieperiode valt — naar zijn aard niet anders dan de datum van ondertekening van de referentieovereenkomst.
  • Een aanbesteder mag per projectaspect een eigen referentieperiode en aanknopingsdatum bepalen: vergunning voor ontwerp, aanvang of voorlopige oplevering voor bouw, contractdatum voor andere aspecten.
  • De toets van artikel 71 van de wet van 17 juni 2016 — pertinentie en proportionaliteit — is de plaats waar zulke eisen worden beoordeeld, niet de bewijsregeling.
  • Een beperking van de mededinging is inherent aan elk selectiecriterium; dat één kandidaat afvalt, volstaat niet om onevenredigheid vast te stellen. Dat vier van de vijf kandidaten wél voldeden, woog zwaar.
  • De vrijwillige verruiming van de referentieperiode van vijf naar tien jaar — ruim boven het regelgevende minimum — was doorslaggevend voor de proportionaliteit.
  • De eis van een attest van goede uitvoering van de bouwheer weerlegt het argument dat een vergund project nooit gebouwd hoeft te zijn.
  • Een tussenkomst na het auditoraatsverslag vertraagt de rechtspleging en is onontvankelijk op grond van artikel 52, § 1 van het algemeen procedurereglement — ook voor de Belgische Staat als begunstigde van de opdracht, die op de hoogte was gehouden en bewust wachtte.
  • Kosten: de tussenkomende Staat draagt 150 euro; de vier verzoeksters dragen elk een vierde van 1.600 euro rolrechten, 48 euro bijdragen en 924 euro rechtsplegingsvergoeding.

Waarop letten

  • De aanknopingsdatum per referentie-eis — vergunning, aanvang, oplevering of contract — en het feit dat die binnen dezelfde opdracht kan verschillen.
  • Het verschil tussen de manier van bewijzen (gesloten lijst) en de inhoudelijke kenmerken van de referentie (vrije afbakening, getoetst op pertinentie en proportionaliteit).
  • Een gewijzigde of regulariserende vergunning als reddingsboei: die telt alleen mee als het gewijzigde voorwerp zelf aan de eis beantwoordt — een parkinguitbreiding is geen complex gebouw.
  • Eigen bewijsstukken die het eigen betoog tegenspreken, zoals het ereloondocument dat zestig procent van de ontwerpprestaties vóór de vergunningsaanvraag situeerde.
  • Het aantal kandidaten dat wél aan de betwiste eis voldeed — een sleutelgegeven in de proportionaliteitstoets.
  • Het tijdstip van tussenkomst: na het auditoraatsverslag is te laat, ook met een evident belang.
  • De beperkte draagwijdte van een schorsingsarrest als voorspeller van de bodemuitkomst.

Stel jezelf de vraag

Hebt u per projectaspect nagegaan welke datum de referentieperiode bepaalt — vergunning, aanvang der werken, voorlopige oplevering of contractdatum — in plaats van één algemene termijn te veronderstellen? Ligt uw sterkste referentie comfortabel binnen die periode, of hangt uw dossier aan enkele weken? Beseft u dat de gesloten lijst van bewijsmiddelen u beschermt tegen buitensporige bewijsvormen, maar niet tegen strenge inhoudelijke eisen aan de referentie zelf? Kunt u, als u de pertinentie of proportionaliteit aanvecht, meer aantonen dan dat u er zelf uitvalt? Hebt u gecontroleerd of uw eigen bewijsstukken uw stelling niet ondergraven? Bouwt u bedrijfsbeslissingen op een schorsingsarrest, terwijl de bodemprocedure het omgekeerde kan beslissen? En als aanbesteder: legt uw selectieleidraad uit waarom elke tijdsvoorwaarde past bij wat u wilt meten, en hebt u de referentieperiode verruimd waar dat de mededinging ten goede komt? Als tussenkomende partij: komt u tussen zodra u van het beroep weet, of pas wanneer het auditoraatsverslag de verkeerde kant op wijst?

Gerelateerde arresten

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →