Een verzoekschrift over de stroomvoorziening van aanhangwagens, terwijl het inschrijvingsformulier ontbrak: de Raad van State verwerpt en rekent 996 euro aan
SPAQUE weerde de offerte van Gimmicks to Workflows voor de afbraak van de cokesfabriek van Marchienne omdat het inschrijvingsformulier ontbrak — een vereiste die het bestek uitdrukkelijk als substantieel aanmerkte — maar het UDN-verzoekschrift bestreed een heel andere grond, namelijk voorschriften over de stroomvoorziening van aanhangwagens, zodat het middel feitelijke grondslag miste en de vordering werd verworpen met 996 euro kosten voor de verzoekster.
Wat gebeurde er?
De nv SPAQUE, de Waalse saneringsmaatschappij, keurde op 31 oktober 2025 het bestek CSC2025-44 goed voor een Europese opdracht voor werken: ‘Réhabilitation du site Cokerie de Marchienne (CARSID) à Marchienne-au-Pont — Déconstruction des bâtiments et structures’, te plaatsen bij open procedure. De aankondiging verscheen op 13 november 2025 op e-Procurement en in het Publicatieblad van de Europese Unie, gevolgd door verschillende rechtzettingen. Artikel A.11 van het bestek was op dit punt ongewoon expliciet: naast de gevallen die artikel 76 van het KB van 18 april 2017 zelf substantieel noemt, somde het limitatief op welke formaliteiten SPAQUE als substantiële vereisten beschouwde — de offerte in het Frans opstellen, en bij de offerte het inschrijvingsformulier, de samenvattende opmeting en het UEA voegen, behoorlijk ingevuld en in het Frans. Acht inschrijvers dienden een offerte in, waaronder de bv Gimmicks to Workflows. Op 16 juni 2026 gunde SPAQUE de opdracht op basis van het analyseverslag aan Verhelst Group voor 5.538.259,00 euro excl. btw, ofwel 6.701.293,39 euro incl. btw. Over de verzoekster stelde dat verslag vast dat haar offerte ‘het inschrijvingsformulier niet bevat’ en dat de aanwezigheid van dat document voor de aanbestedende overheid een substantiële vereiste vormt, wat de offerte substantieel onregelmatig maakte; zij werd uit de verdere analyse geweerd. De beslissing werd op 18 juni 2026 aangetekend én per e-mail betekend. Op 3 juli 2026 stelde Gimmicks to Workflows — toen nog zonder advocaat — een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in; de zitting volgde op 22 juli 2026. SPAQUE wierp eerst een exceptie van onontvankelijkheid op: de verzoekster had bij haar verzoekschrift haar statuten, de aanstellingsakte van haar organen en het bewijs van de beslissing om in rechte te treden moeten voegen. De Raad verwierp die exceptie in twee stappen. Het niet neerleggen van de gepubliceerde en gecoördineerde statuten is geen grond van onontvankelijkheid maar een grond van niet-inschrijving op de rol (artikel 3bis, eerste lid, 1°, van het Regentsbesluit van 23 augustus 1948) — en net die bepaling is door het KB van 19 november 2024 niet toepasselijk gemaakt op de UDN-vordering. Bovendien bleek uit de in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 24 oktober 2024 gepubliceerde statuten dat mevrouw N.B., die het verzoekschrift ondertekende en elektronisch indiende, als enig lid van het bestuursorgaan bevoegd was om de vennootschap alleen te vertegenwoordigen; zij hoefde dus geen afzonderlijke beslissing om in rechte te treden bij te brengen. Het beroep verwerpen op die gronden zou volgens de Raad ‘blijk geven van overdreven formalisme’. Op de grond van de zaak liep het evenwel mis. Het verzoekschrift bevatte geen rubriek ‘middelen’; de argumentatie stond in de uiteenzetting van de hoogdringendheid en besloot dat ‘de miskenning van de voorschriften betreffende de stroomvoorziening van de aanhangwagens niets afdoet aan het voorwerp van de opdracht’. Maar dat was de grond niet: SPAQUE had de offerte geweerd omdat het inschrijvingsformulier ontbrak. Het middel miste dus feitelijke grondslag. De Raad herinnerde aan artikel 76 van het KB van 18 april 2017 en onderstreepte dat niet alleen de eisen die de opdrachtdocumenten uitdrukkelijk substantieel noemen, maar ook de minimumeisen als substantieel gelden. De verzoekster betwistte noch dat haar offerte het formulier miste, noch dat het bestek dat document tot substantiële vereiste verhief, en legde evenmin uit waarom de wering een kennelijke beoordelingsfout zou zijn. De formele motivering was voldoende en afdoende, geen enkele grief was ernstig, en de vordering werd verworpen. SPAQUE had nog een schadevergoeding gevraagd wegens tergend en roekeloos beroep op grond van artikel 27 van de wet van 17 juni 2013; de Raad wees die in dit stadium af, mede omdat SPAQUE het betoog van de verzoekster zelf over meerdere bladzijden nuttig had geacht te weerleggen, en omdat de prijs van de offerte nooit was onderzocht of gerangschikt. De verzoekster moest wel de kosten dragen: 200 euro rolrecht, 26 euro bijdrage en 770 euro rechtsplegingsvergoeding voor SPAQUE. Tot slot ordonneerde de Raad de vertrouwelijkheid van de offertestukken — ook van delen van haar eigen offerte die de verzoekster naar eigen zeggen door ‘een manipulatiefout’ als niet-vertrouwelijk op het elektronische platform had geplaatst.
Waarom doet dit ertoe?
Twee lessen die elkaar niet raken, maar wel in hetzelfde arrest staan. De eerste is bemoedigend voor wie zonder advocaat naar de Raad van State stapt: het ontbreken van de gepubliceerde statuten bij het verzoekschrift is geen onontvankelijkheidsgrond maar een grond van niet-inschrijving op de rol, en die grond is door het KB van 19 november 2024 niet toepasselijk gemaakt op de UDN-procedure. Wie bovendien als enig bestuurder de vennootschap alleen kan vertegenwoordigen, hoeft geen afzonderlijke beslissing om in rechte te treden bij te brengen. De Raad noemt de tegenovergestelde lezing uitdrukkelijk overdreven formalisme — een zinnetje dat in latere dossiers nog van pas zal komen. De tweede les is onverbiddelijk. Een UDN-vordering staat of valt met één ernstig middel, en een middel dat de verkeerde beslissingsgrond bestrijdt, is geen middel. Hier ging het verzoekschrift over de stroomvoorziening van aanhangwagens, terwijl de offerte was geweerd wegens een ontbrekend inschrijvingsformulier — een grond die de verzoekster op geen enkel punt aanvocht. De vaststelling ‘le moyen manque en fait’ maakt dan een einde aan het debat, zonder dat de Raad aan de grond van de zaak toekomt. Daar komt bij dat artikel 76 van het KB van 18 april 2017 de aanbestedende overheid in een open procedure géén beoordelingsmarge laat: staat een vereiste in het bestek als substantieel aangeduid en is ze niet nageleefd, dan móét de offerte nietig worden verklaard. Een bestek dat, zoals hier, limitatief opsomt welke stukken substantieel zijn, is dus geen vrijblijvende opsomming maar een lijst waarvan elke regel een dossier kan kosten. Voor een opdracht van 5,5 miljoen euro is dat een dure herinnering aan het belang van een indieningschecklist.
De les
Lees, vóór u een verzoekschrift schrijft, de bestreden beslissing en bestrijd de grond die er werkelijk in staat. Een middel dat een andere motivering aanvalt — hoe degelijk ook opgebouwd — mist feitelijke grondslag en wordt niet onderzocht. Geef uw middelen bovendien een herkenbare structuur: de Raad stelt hier droog vast dat het verzoekschrift geen rubriek ‘middelen’ bevatte en dat de argumentatie in de uiteenzetting van de hoogdringendheid zat. Wilt u de wering van uw offerte aanvechten, betwist dan uitdrukkelijk één van drie dingen: dat het gebrek bestaat, dat het bestek de vereiste tot substantiële vereiste verheft, of dat de aanbesteder een kennelijke beoordelingsfout maakte — en leg uit waarom. Als inschrijver: behandel de lijst met substantiële stukken in het bestek als een afvinklijst en controleer vóór indiening of het inschrijvingsformulier, de samenvattende opmeting en het UEA effectief in het ingediende pakket zitten; bij een open procedure heeft de aanbesteder geen keuze en kan hij u niet redden. Zorg ook dat u de vertrouwelijkheidsknoppen van het e-Procurementplatform beheerst — hier belandden delen van de eigen offerte per ongeluk in de niet-vertrouwelijke stukken. Als aanbesteder: het loont om, zoals SPAQUE, in het bestek limitatief en expliciet te benoemen welke formaliteiten substantieel zijn; dat maakt de wering achteraf haast onaanvechtbaar. Vraag wel niet te snel om een schadevergoeding voor tergend beroep: wie zelf bladzijden nodig had om het betoog te weerleggen, krijgt die moeilijk toegewezen.
Te onthouden
- Een middel dat een andere beslissingsgrond bestrijdt dan die welke de aanbestedende overheid heeft gehanteerd, mist feitelijke grondslag; bij een UDN-vordering betekent dat meteen verwerping, want er blijft geen ernstig middel over.
- Artikel 76, § 1, derde lid, 3°, van het KB van 18 april 2017 maakt zowel de minimumeisen als de in de opdrachtdocumenten uitdrukkelijk als substantieel aangeduide eisen tot substantiële vereisten; in een open procedure moet de aanbesteder de offerte dan nietig verklaren, zonder beoordelingsmarge.
- Het bestek CSC2025-44 somde limitatief op welke formaliteiten substantieel waren: de offerte in het Frans, en het inschrijvingsformulier, de samenvattende opmeting en het UEA in bijlage. Het ontbrekende inschrijvingsformulier volstond om de offerte te weren.
- Het niet neerleggen van de gepubliceerde en gecoördineerde statuten is geen grond van onontvankelijkheid maar een grond van niet-inschrijving op de rol (art. 3bis Regentsbesluit 23 augustus 1948) — en die is niet toepasselijk op de UDN-vordering.
- Wie als enig lid van het bestuursorgaan de vennootschap alleen kan vertegenwoordigen, moet geen afzonderlijke beslissing om in rechte te treden bijbrengen; het tegendeel volhouden is overdreven formalisme.
- De vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep (art. 27 wet 17 juni 2013) werd afgewezen: de verwerende partij had het betoog zelf over meerdere bladzijden weerlegd en de prijs van de offerte was nooit geanalyseerd of gerangschikt.
- Kostenplaatje voor de verzoekster: 200 euro rolrecht, 26 euro bijdrage en 770 euro rechtsplegingsvergoeding.
Waarop letten
- De lijst van als substantieel aangeduide stukken in het bestek — die lijst, en niet uw inschatting van het belang ervan, bepaalt of uw offerte overleeft.
- Het verschil tussen een grond van onontvankelijkheid en een grond van niet-inschrijving op de rol; het KB van 19 november 2024 maakt niet alle bepalingen van het Regentsbesluit toepasselijk op het kort geding.
- De structuur van uw verzoekschrift: argumentatie die enkel in de uiteenzetting van de hoogdringendheid staat, wordt door de Raad uitdrukkelijk opgemerkt.
- Het beheer van de vertrouwelijkheid op het e-Procurementplatform — delen van de eigen offerte belandden hier bij vergissing in de niet-vertrouwelijke stukken.
- Dat een afwijzing van een vordering wegens tergend beroep ‘in dit stadium’ gebeurt: de deur voor de annulatieprocedure blijft op een kier.
Stel jezelf de vraag
Hebt u in uw verzoekschrift de grond bestreden die de aanbestedende overheid werkelijk heeft gehanteerd, en niet een grond uit een ander dossier? Bevat uw verzoekschrift een duidelijk geïdentificeerd middel, of zit uw argumentatie verspreid in de uiteenzetting van de hoogdringendheid? Betwist u concreet het bestaan van het gebrek, het substantiële karakter ervan, of de beoordeling — en legt u uit waarom? Als inschrijver: hebt u de lijst met als substantieel aangeduide stukken uit het bestek één voor één afgevinkt tegen wat u effectief hebt ingediend? Weet u dat de aanbesteder in een open procedure verplicht is uw offerte nietig te verklaren zodra één substantiële vereiste ontbreekt? En als u zonder advocaat procedeert: weet u dat het ontbreken van uw statuten bij een UDN-vordering geen onontvankelijkheid oplevert?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →