‘De rendementen van de afgelopen jaren’: waarom het Vlaamse Gewest een offerte niet mag wegsturen op cijfers die de inschrijver nooit heeft gezien
Het Vlaamse Gewest verklaarde de offerte van de NV K. voor het groen- en netheidsonderhoud op de Vlaams-Brabantse autosnelwegen onregelmatig omdat haar rendementen voor drie posten ‘gezien de uitvoeringsomstandigheden en de vastgestelde rendementen van de afgelopen jaren’ onrealistisch hoog waren — maar de Raad van State schorste die gunning bij uiterst dringende noodzakelijkheid, omdat die formule te vaag is om als motivering door te gaan én omdat artikel 36, § 3, derde lid van het KB Plaatsing verplicht om zulke externe cijfers eerst aan de inschrijver voor te leggen.
Wat gebeurde er?
Het Vlaamse Gewest schreef met een openbare procedure op grond van artikel 36 van de wet van 17 juni 2016 een dienstenopdracht uit voor het ‘Groen- en netheidsonderhoud op de autosnelwegen in de provincie Vlaams-Brabant: A-wegen West (D211, Halle – D212, Vilvoorde)’, nationaal en Europees bekendgemaakt. Vier inschrijvers dienden een offerte in, waaronder de NV K. Haar totaalbedrag lag meer dan 15 % onder het wettelijk gemiddelde, zodat het wettelijk vermoeden van abnormaliteit van artikel 36, § 4 van het KB van 18 april 2017 speelde. K. leverde tijdig een gedetailleerde prijsverantwoording aan, en die werd voor de totaalprijs aanvaard: de verkoopprijzen voor personeel en materieel en de stort- en verwerkingskosten — samen meer dan 90 % van het offertebedrag — bleken courant gangbaar, de loonkosten haalden nét de wettelijke minima van paritair comité 145.4, en de toeslag voor algemene kosten, winst en risico lag in lijn met de markt. Op het niveau van de eenheidsprijzen liep het anders. Het bestuur onderzocht alle posten met een aandeel boven 1 % (samen ongeveer 70 % van het bedrag), met een afwijkingsdrempel van 25 à 30 % voor lage en 50 % voor hoge prijzen, en vroeg verantwoording voor de posten 52, 55, 79 en 191. Post 191 werd aanvaard. De andere drie niet: het rendement van 40.200 m²/dag voor het maaien van wegbermen (post 52), van 15.650 m/dag voor de meerprijs bij vangrailmaaien (post 55) en van 20.175 m/dag voor het wegnemen van overhangende takken tussen 1,25 en 5 meter hoogte (post 79) waren volgens het gunningsverslag ‘gezien de uitvoeringsomstandigheden en de vastgestelde rendementen van de afgelopen jaren onrealistisch hoog ingeschat’. Op 29 juni 2026 wees het Gewest de opdracht toe aan de NV A.; de gemotiveerde gunningsbeslissing werd op 15 juli 2026 aangetekend meegedeeld. K. stelde op 30 juli 2026 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in; de zaak werd behandeld op 20 augustus 2026. De Raad van State behandelde het eerste middel (motiveringsgebrek) en het tweede (schending van het transparantiebeginsel) samen. Prima facie stelde hij vast dat het bestuur zich, zonder onderscheid tussen de drie posten, hoofdzakelijk baseerde op één en dezelfde vage formule, en dat die K. niet in staat stelde om met kennis van zaken te beoordelen of een betwisting in rechte zinvol was. Dat de onderliggende cijfers wél in het administratief dossier terug te vinden waren, volstond niet: wie de formele motiveringsplicht aanvoert, moet de motieven in de beslissing zelf kunnen lezen. Ook de toelichting in de nota met opmerkingen — waarin het Gewest verwees naar een opdracht die K. in 2021 had uitgevoerd en naar het rendement dat de zittende dienstverlener het voorgaande jaar had gehaald, beide beduidend lager — kwam te laat: mededeling van de motieven nádat de inschrijver al naar de Raad van State is gestapt, herstelt het gebrek niet. Daarbovenop kwam een tweede, zwaarder verwijt. Artikel 36, § 3, derde lid van het KB van 18 april 2017 laat het bestuur toe om bij de beoordeling van een prijsverantwoording ook informatie te gebruiken die niet van de inschrijver zelf komt, maar verplicht het die gegevens eerst aan hem voor te leggen zodat hij kan reageren — een verplichting die volgens het Verslag aan de Koning voortvloeit uit artikel 69.3 van richtlijn 2014/24/EU en de rechten van verdediging waarborgt. De Raad situeerde die stap uitdrukkelijk ná de ontvangst van de prijsverantwoording, niet ervóór, zoals het Gewest verdedigde. Hier bleek prima facie dat de rendementen uit het verleden en de uitvoeringsomstandigheden nooit aan K. waren voorgelegd, terwijl ze de onregelmatigverklaring wel degelijk mee schraagden en dus niet overtollig waren. De beoordelingsruimte die het bestuur bij artikel 36, § 3 heeft, gaf hem geen vrijgeleide om die verplichting te omzeilen. Dat K. haar eigen rendementen uit 2021 kende, deed daar niets aan af, en het beroep op de vertrouwelijkheidsplicht van artikel 13, § 2 van de wet van 17 juni 2016 sneuvelde ook: feitelijke vaststellingen over behaalde rendementen bij de uitvoering van een opdracht zijn prima facie geen fabrieks- of bedrijfsgeheim en geen vertrouwelijk aspect van een concurrerende offerte. Op het argument dat de door K. voorgelegde Track & Trace-uitprints de abnormaliteit toch niet weerleggen, antwoordde de Raad dat het bestuur eerst zelf de gegevens moet voorleggen en de reactie beoordelen; daar kan hij niet op vooruitlopen. Omdat het Gewest geen belangenafweging vroeg, beval de Raad de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de gunningsbeslissing van 29 juni 2026.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest zet twee dingen scherp die in de praktijk van het prijsonderzoek vaak door elkaar lopen. Het eerste is dat een prijsverantwoording aanvaarden of verwerpen een beoordeling is die het bestuur zelf mag maken — de Raad van State treedt niet in zijn plaats — maar dat die vrijheid volledig samenvalt met de plicht om de beoordeling zichtbaar te maken. Een verwijzing naar ‘de uitvoeringsomstandigheden en de vastgestelde rendementen van de afgelopen jaren’ is geen motivering maar een conclusie: ze zegt niet welke omstandigheden, welke jaren, welke cijfers. Dat de gegevens elders in het administratief dossier liggen, en dat de nota met opmerkingen ze uiteindelijk wel benoemt, herstelt niets: de formele motiveringsplicht bestaat precies om de inschrijver vóór zijn beroep te laten weten waarop hij staat. Het tweede, en het meest bruikbare, is de lezing van artikel 36, § 3, derde lid. Die bepaling wordt soms gelezen als iets dat alleen bij het uitsturen van de vraag om verantwoording speelt. De Raad plaatst ze uitdrukkelijk in de fase erna: haalt het bestuur bij de beoordeling van het antwoord eigen kennis of externe gegevens boven — historische rendementen van de inschrijver, prestaties van de zittende dienstverlener, interne metingen — dan moeten die op tafel komen vóór de beslissing valt. Zo niet is de wering van de offerte prima facie onwettig, hoe verdedigbaar de onderliggende cijfers ook mogen zijn. Dat het bestuur zich niet achter vertrouwelijkheid kan verschuilen, maakt het sluitstuk: cijfers over rendementen die bij de uitvoering van een opdracht feitelijk werden gehaald zijn geen bedrijfsgeheim, en er is geen reden om ze aan tegenspraak te onttrekken. Voor wie in sectoren werkt waar rendementen de prijs bepalen — groenonderhoud, wegenwerken, schoonmaak, transport — is dat het verschil tussen een prijsonderzoek dat standhoudt en een dat op de schorsingsdrempel struikelt.
De les
Bent u aanbestedende overheid en verwerpt u een prijsverantwoording, schrijf dan in de gunningsbeslissing zelf welke gegevens u hebt gebruikt: welke rendementen, uit welke opdracht, van welk jaar, en waarom die het opgegeven cijfer onaannemelijk maken. Post per post, want één formule voor drie verschillende posten dekt de beoordeling niet. Komen die gegevens niet van de inschrijver — uit uw eigen metingen, uit een oudere opdracht van diezelfde inschrijver, uit de prestaties van de zittende dienstverlener — dan legt u ze eerst aan hem voor en laat u hem reageren, ná ontvangst van zijn verantwoording en vóór uw beslissing. Vertrouwelijkheid is daarvoor geen uitweg: feitelijke uitvoeringsrendementen zijn geen bedrijfsgeheim. En reken niet op uw nota met opmerkingen om het goed te maken: motieven die pas in de procedure opduiken, komen te laat. Bent u inschrijver en wordt uw offerte geweerd wegens abnormaal lage eenheidsprijzen, lees dan nauwkeurig waaróp die conclusie steunt. Staat er enkel een algemene verwijzing naar ervaring of naar cijfers van vroeger, zonder dat u die ooit te zien kreeg, dan hebt u twee middelen tegelijk: een motiveringsgebrek en een schending van artikel 36, § 3, derde lid. Dat u uw eigen oudere rendementen kende, ontneemt u uw recht op tegenspraak niet — en u verliest dat recht ook niet doordat u in uw verantwoording zelf geen vergelijking met vorige jaren maakte.
Te onthouden
- Een offerte weren wegens abnormaal lage eenheidsprijzen met de enkele vermelding dat de rendementen ‘gezien de uitvoeringsomstandigheden en de vastgestelde rendementen van de afgelopen jaren’ onrealistisch hoog zijn, is prima facie geen afdoende formele motivering.
- Dat de onderliggende gegevens in het administratief dossier terug te vinden zijn, volstaat niet wanneer een schending van de formele motiveringsplicht wordt aangevoerd: de motieven moeten in de beslissing zelf staan.
- Motieven die pas in de nota met opmerkingen worden meegedeeld — dus nadat de inschrijver de vordering al heeft ingesteld — herstellen het motiveringsgebrek niet.
- Artikel 36, § 3, derde lid KB 18 april 2017 situeert zich ná de ontvangst van de prijsverantwoording: gebruikt het bestuur bij de beoordeling gegevens die niet van de inschrijver komen, dan moet het die eerst aan hem voorleggen zodat hij kan reageren.
- De beoordelingsruimte van het bestuur bij artikel 36, § 3 is geen vrijgeleide om die voorleggingsplicht te omzeilen; ook niet wanneer de inschrijver zijn eigen oudere rendementen kende.
- Feitelijk behaalde rendementen bij de uitvoering van een opdracht zijn prima facie geen fabrieks- of bedrijfsgeheim in de zin van artikel 13, § 2 van de wet van 17 juni 2016 en moeten dus aan tegenspraak kunnen worden onderworpen.
- De Raad van State loopt niet vooruit op de inhoudelijke weerlegging: het bestuur moet eerst zelf de gegevens voorleggen en de reactie van de inschrijver beoordelen.
- Vraagt de verwerende partij geen belangenafweging, dan komt artikel 17, § 2, tweede lid van de gecoördineerde wetten niet aan de orde en volgt de schorsing zodra een middel ernstig is.
Waarop letten
- Het onderscheid tussen het prijsonderzoek van de totaalprijs (artikel 36, § 4) en dat van de eenheidsprijzen (artikel 36, § 2): een aanvaarde totaalprijs sluit een wering op één of meer posten niet uit.
- De motivering per betwiste post: drie posten met elk een eigen rendement verdienen drie eigen redeneringen, geen gemeenschappelijke formule.
- Het moment waarop externe of interne gegevens aan de inschrijver worden voorgelegd — ná zijn verantwoording en vóór de beslissing.
- De reflex om vertrouwelijkheid in te roepen voor uitvoeringscijfers: die vlucht is prima facie niet houdbaar.
- Dat een inschrijver zijn recht op tegenspraak niet verbeurt door in zijn prijsverantwoording geen vergelijking te maken met eerdere jaren, als het bestuur daar niet om vroeg.
Stel jezelf de vraag
Kan een afgewezen inschrijver in úw gunningsbeslissing lezen welke concrete rendementen, uit welke opdracht en welk jaar, u tegen zijn cijfers hebt afgezet — of staat er enkel een verwijzing naar ‘de uitvoeringsomstandigheden en de rendementen van de afgelopen jaren’? Motiveert u per betwiste post afzonderlijk, of dekt één formule alles? Hebt u de gegevens die niet van de inschrijver komen aan hem voorgelegd en zijn reactie beoordeeld vóór u besliste, zoals artikel 36, § 3, derde lid van het KB Plaatsing vereist? Beroept u zich op vertrouwelijkheid voor cijfers die in werkelijkheid gewoon feitelijke vaststellingen bij de uitvoering zijn? En als inschrijver: hebt u nagegaan of de motieven al in de beslissing zelf stonden, dan wel pas in de nota met opmerkingen opdoken nadat u al naar de Raad van State was gestapt?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →