Waals-Brabant trekt de gunning van haar deurwaarderspool in vóór de zitting: niet ‘zonder voorwerp’ maar onontvankelijk — en de provincie betaalt toch 996 euro
Vijf dagen vóór de zitting trok de provincie Waals-Brabant de gunning in van haar gezamenlijke raamovereenkomst voor een pool gerechtsdeurwaarders; omdat die intrekking met terugwerkende kracht geldt, was Modero Brabant wallon door de aangevoerde schendingen niet meer benadeeld en werd haar UDN-vordering onontvankelijk verklaard — waarna de provincie als verkapt vernietigde partij toch het rolrecht, de bijdrage en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro moest dragen.
Wat gebeurde er?
De provincie Waals-Brabant plaatste, samen met de hulpverleningszone Waals-Brabant en het sociaal verhuurkantoor van Waals-Brabant, een gezamenlijke overheidsopdracht in de vorm van een raamovereenkomst voor de aanwijzing van een pool gerechtsdeurwaarders. Bij beslissing van 16 juli 2026 keurde zij de aanwijzing goed van drie inschrijvers voor de zeven betrokken percelen: de tijdelijke vereniging ‘Alexandre Marlène, Avaux Thierry, Vleugels Jean’, het kantoor Hagelstein en Brawalaw SRL. De beslissing werd op 17 juli 2026 per e-mail meegedeeld. De SRL Modero Brabant wallon stelde op 31 juli 2026 een vordering in tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Bij beschikking van 4 augustus 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en de zaak bepaald op de zitting van 24 augustus 2026. Op 14 augustus 2026 diende de SRL Étude Hagelstein een verzoek tot tussenkomst in. De Raad willigde dat in: de bestreden akte wijst haar als een van de drie begunstigden aan, zonder dat zij met de twee andere begunstigden in tijdelijke vereniging optreedt, zodat zij als bestemmeling van de akte belang heeft bij de afwijzing van de vordering. Ondertussen kwam de provincie terug op haar beslissing. In een e-mail van 13 augustus 2026 liet zij de Raad van State weten dat de bestreden akte waarschijnlijk vóór de zitting van 24 augustus zou worden ingetrokken. Bij beslissing van 20 augustus 2026 werd de akte effectief ingetrokken — vier dagen vóór de zitting. De auditeur nodigde de verzoekende partij uit haar standpunt te geven over de vraag of de vordering, gelet op die intrekking, nog voldeed aan de voorwaarden van artikel 15, dat verwijst naar artikel 14, van de wet van 17 juni 2013. Ter zitting van 24 augustus 2026 verwees Modero naar de recente rechtspraak van de Raad van State op dat punt en bevestigde zij dat zij haar belang bij de schorsingsvordering door de intrekking had verloren. De Raad volgde die redenering en werkte ze uit. Artikel 14 van de wet van 17 juni 2013 opent het beroep voor ‘elke persoon die een belang heeft of heeft gehad om een bepaalde opdracht te krijgen én die door de aangevoerde schending is of dreigt te worden benadeeld’. Dat zijn twee voorwaarden, niet één. De intrekking van 20 augustus 2026 werkt terug tot de datum waarop de bestreden beslissing werd genomen. Daaruit volgt dat de aangevoerde schendingen — ook als men ze voor bewezen houdt — de verzoekende partij niet hebben benadeeld en haar ook niet dreigden te benadelen. Nu een van de twee ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 14 niet is vervuld, moest de vordering onontvankelijk worden verklaard. Over de vertrouwelijkheid oordeelde de Raad dat stuk 3 uit het dossier van Modero en stuk 6 uit het dossier van de tussenkomende partij, waarvoor beide partijen een met redenen omkleed verzoek hadden geformuleerd dat niet werd betwist, in dit stadium van de procedure vertrouwelijk blijven. Over de kosten volgde de vaste lijn. Het verdwijnen van de bestreden akte door de intrekking is een vorm van verkapte vernietiging — een ‘succédané d’une annulation contentieuse’ — zodat de verwerende partij geldt als de partij die in het ongelijk wordt gesteld en de verzoekende partij als de partij die gelijk krijgt, in de zin van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De provincie Waals-Brabant draagt bijgevolg de kosten: het rolrecht van 200 euro, de bijdrage van 26 euro en de gevorderde rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, samen 996 euro. De tussengekomen partij draagt haar eigen kosten, begroot op 150 euro. Het arrest werd uitgesproken op 25 augustus 2026 door de VIe vakantiekamer zetelend in kort geding, samengesteld uit staatsraad Raphaël Born als waarnemend voorzitter, bijgestaan door griffier Adeline Schyns; auditeur Philippe Nicodème had een eensluidend advies gegeven.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest is vooral interessant om wat het níét zegt. In de vertrouwde reeks arresten over ingetrokken gunningen besluit de Raad doorgaans dat het beroep zijn voorwerp heeft verloren en dat er geen uitspraak meer hoeft te worden gedaan. Hier kiest hij een andere weg: de vordering wordt onontvankelijk verklaard. De redenering loopt via artikel 14 van de wet van 17 juni 2013, dat twee voorwaarden stelt — een belang bij het verkrijgen van de opdracht, én benadeeld zijn of dreigen te worden door de aangevoerde schending. Omdat een intrekking terugwerkt tot de datum van de bestreden beslissing, verdwijnt de tweede voorwaarde: er valt met terugwerkende kracht niets meer om benadeeld door te zijn. Dat is een dogmatisch zuiverder constructie dan het verlies van voorwerp, en de verzoekende partij erkende ze ter zitting zelf, met verwijzing naar de recente rechtspraak. Voor de praktijk verandert dat weinig aan het resultaat, en dat is precies de geruststelling. Onontvankelijk klinkt als verliezen, maar de kostenregeling volgt de economische werkelijkheid: de akte is verdwenen omdat de aanbesteder haar zelf heeft ingetrokken, en dat telt als een verkapte vernietiging. De provincie draagt het rolrecht, de bijdrage en de rechtsplegingsvergoeding; de tussengekomen begunstigde draagt enkel haar eigen tussenkomstrecht van 150 euro. Wie in een dergelijke zaak zijn rechtsplegingsvergoeding niet vordert, laat geld liggen dat hem toekomt. Het arrest toont ook wat een aanbesteder wint met snelheid. Waals-Brabant kondigde de intrekking op 13 augustus aan en voerde ze op 20 augustus uit, vier dagen vóór de zitting. Daarmee bleef de zaak beperkt tot een ontvankelijkheidsvraag en een kostenregeling, zonder enig inhoudelijk oordeel over de gunning. Een aanbesteder die tot dezelfde conclusie komt maar de uitvoering te lang uitstelt, krijgt wél een inhoudelijk arrest — en de bijhorende vaststelling van zijn fout in het dossier. Tot slot een aandachtspunt voor gezamenlijke opdrachten met meerdere begunstigden: Étude Hagelstein mocht tussenkomen als een van de drie aangewezen inschrijvers, zonder met de andere twee in tijdelijke vereniging te zitten. Wie meedingt in een opdracht waarin meerdere partijen worden aangewezen, heeft dus een eigen, zelfstandig belang om zijn positie te verdedigen — en draagt daarvoor ook zijn eigen tussenkomstrecht.
De les
Wordt de gunning die u aanvecht ingetrokken vóór de zitting, laat de zaak dan niet stilletjes doodbloeden. Uw vordering wordt onontvankelijk verklaard, maar u bent daarmee niet de verliezende partij: de intrekking geldt als een verkapte vernietiging, zodat de aanbesteder de kosten draagt. Vorder uitdrukkelijk uw rechtsplegingsvergoeding — hier 770 euro, bovenop het rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 26 euro. Erken ter zitting gerust dat u uw belang hebt verloren; dat is wat de verzoekende partij hier deed en het kostte haar niets. Bent u aanbesteder en ziet u in dat uw beslissing niet standhoudt, trek ze dan snel én effectief in. Een aankondiging volstaat niet: pas de genomen intrekking werkt terug tot de datum van de bestreden beslissing en haalt zo de benadeling weg die artikel 14 van de wet van 17 juni 2013 vereist. Doe het bovendien ruim vóór de zitting — hier vier dagen — zodat de zaak beperkt blijft tot ontvankelijkheid en kosten. Reken wel op de rekening: ongeveer duizend euro plus het verlies van de procedure die u moet overdoen. Dat is doorgaans nog altijd goedkoper dan een inhoudelijk arrest dat uw motiveringsfout vastlegt. Bent u begunstigde van een opdracht met meerdere winnaars, dan hoeft u niet te wachten tot een medebegunstigde uw belangen verdedigt: u kunt zelfstandig tussenkomen, ook zonder tijdelijke vereniging, en u draagt dan uw eigen tussenkomstrecht van 150 euro.
Te onthouden
- Een intrekking van de bestreden beslissing werkt terug tot de datum waarop die beslissing werd genomen; daardoor is de verzoekende partij door de aangevoerde schendingen niet meer benadeeld en valt een van de twee ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 14 van de wet van 17 juni 2013 weg.
- De Raad verklaart de vordering dan onontvankelijk — niet zonder voorwerp — maar de kostenregeling blijft dezelfde.
- Het verdwijnen van de akte door intrekking geldt als een verkapte vernietiging, zodat de aanbesteder krachtens artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten de in het ongelijk gestelde partij is.
- De provincie Waals-Brabant droeg het rolrecht van 200 euro, de bijdrage van 26 euro en de rechtsplegingsvergoeding van 770 euro; de tussengekomen begunstigde droeg enkel haar eigen tussenkomstrecht van 150 euro.
- De intrekking werd op 13 augustus 2026 per e-mail aangekondigd en op 20 augustus 2026 effectief genomen, vier dagen vóór de zitting van 24 augustus 2026.
- Een van meerdere aangewezen inschrijvers kan zelfstandig tussenkomen als bestemmeling van de bestreden akte, ook zonder in tijdelijke vereniging te zitten met de andere begunstigden.
- Een niet-betwist en gemotiveerd verzoek om vertrouwelijke behandeling van welbepaalde stukken wordt in dit stadium van de procedure ingewilligd.
Waarop letten
- Het onderscheid tussen ‘onontvankelijk’ (geen benadeling meer na een retroactieve intrekking) en ‘zonder voorwerp’ (de akte is verdwenen): twee wegen, hetzelfde gevolg voor de kosten.
- De twee afzonderlijke voorwaarden in artikel 14 van de wet van 17 juni 2013 — belang bij de opdracht én benadeling — waarvan er hier slechts één overbleef.
- Het verschil tussen een aangekondigde en een effectief genomen intrekking; enkel de tweede heeft rechtsgevolgen.
- De timing tegenover de zitting: hoe vroeger de intrekking, hoe kleiner de kans op een inhoudelijk oordeel.
- De kostenposten afzonderlijk: rolrecht, bijdrage en rechtsplegingsvergoeding volgen de verwerende partij, het tussenkomstrecht blijft bij de tussenkomende partij.
- Bij gezamenlijke opdrachten met meerdere aanbesteders en meerdere begunstigden: wie precies de bestreden akte heeft genomen en wie er bestemmeling van is.
Stel jezelf de vraag
Weet u dat een ingetrokken gunningsbeslissing uw vordering onontvankelijk maakt in plaats van zonder voorwerp, en dat het verschil voor uw kostenrecuperatie niets uitmaakt? Hebt u uw rechtsplegingsvergoeding uitdrukkelijk gevorderd, ook al ziet u de zaak inhoudelijk niet meer behandeld worden? Als aanbesteder: hebt u de intrekking daadwerkelijk genomen en niet alleen aangekondigd, en ruim genoeg vóór de zitting om een inhoudelijk oordeel te vermijden? Hebt u nagegaan of uw dossier stukken bevat waarvoor u een gemotiveerd verzoek om vertrouwelijke behandeling moet indienen? En als een van meerdere begunstigden van een gezamenlijke opdracht: weet u dat u zelfstandig kunt tussenkomen, ook wanneer u niet in tijdelijke vereniging zit met de andere aangewezen inschrijvers?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →