Een takelbedrijf met een vergunning die 's nachts niets toelaat, klaagt dat de concurrent hetzelfde probleem heeft — maar dat relativeert net de ernst van het middel
De Raad van State verwerpt de vordering van een takelbedrijf dat de gunning van een raamovereenkomst voor takel- en bergingsdiensten aanvecht, en oordeelt dat een aanbestedende overheid bij het regelmatigheidsonderzoek niet hoeft te onderzoeken of de voorgelegde omgevingsvergunningen toereikend zijn voor een 24-urendienst, zeker niet wanneer de verzoekende partij zelf over een vergelijkbaar beperkte vergunning beschikt.
Wat gebeurde er?
De Politiezone Geel-Laakdal-Meerhout gunt via openbare procedure een raamovereenkomst voor het takelen, bergen en stallen van voertuigen aan de BV M. Twee inschrijvers dienen een offerte in. De verzoekende partij — de verliezende en tevens zittende opdrachtnemer — vecht de gunning aan met drie middelen. Het eerste middel betreft de regelmatigheid van de winnende offerte. Het bestek vereist een 7-op-7 en 24-urendienst met een aanrijtijd van maximaal 20 minuten. De verzoekende partij betoogt dat de omgevingsvergunning van de gekozen inschrijver — een aktename voor een garagewerkplaats — op grond van artikel 5.15.0.6 Vlarem II rustverstorende activiteiten verbiedt tussen 19 en 7 uur en op zon- en feestdagen, zonder dat de vergunning daarvoor een afwijking bevat. De offerte zou dus substantieel onregelmatig zijn. De Raad volgt dat niet, om twee redenen. Ten eerste bevat het bestek niet als regelmatigheidsvoorwaarde dat de inschrijver bij het indienen van zijn offerte over alle noodzakelijke vergunningen beschikt. Ten tweede — en cruciaal — beschikt de verzoekende partij zelf over een omgevingsvergunning die evenmin een afwijking op die sectorale milieuvoorwaarde bevat. Dat gegeven relativeert op het eerste gezicht de ernst van het middel. Van een aanbestedende overheid kan in die omstandigheden niet worden verwacht dat zij het toereikend karakter van de voorgelegde vergunningen in vraag stelt. Het tweede middel richt zich tegen de kwalitatieve beoordeling. De verzoekende partij scoort 36/40 (90%), de gekozen inschrijver 28/40 (70%). De verzoekende partij vindt haar score te laag en die van de concurrent te hoog, en meent dat zij de maximale score had moeten krijgen. De Raad oordeelt dat de beoordelingsmethodiek — een globale evaluatie met een ordinale schaal van 'zeer zwak' tot 'uitstekend' — niet noodzakelijk impliceert dat de kwalitatief beste offerte automatisch de maximale score krijgt. De verwerende partij maakt aannemelijk dat de offerte van de verzoekende partij positiever werd beoordeeld (36 versus 28 punten), maar dat de maximumscore niet werd toegekend omdat aanrijtijden, deskundigheid van het personeel en voorzieningen voor gestrande automobilisten als 'goed' en niet als 'zeer goed' of 'uitstekend' werden beoordeeld. Ook relevant: de verzoekende partij betoogt dat de gekozen inschrijver geen beroep kan doen op bewaarplaatsen van onderaannemers. De Raad leest het bestek anders: de termen 'bewaarplaats van de inschrijver', 'opdrachtnemer' en 'takeldienst' worden door elkaar gebruikt, en het bestek regelt het beroep op onderaannemers niet nader. Uit de definitie van 'takeldienst' als 'de rechtspersoon of de natuurlijke persoon, die belast is met het takelen en bewaren van getakelde voertuigen' leidt de Raad af dat de beoordelingselementen ook aan de hand van bewaarplaatsen van onderaannemers mogen worden beoordeeld. Het derde middel betreft het prijsonderzoek. De verzoekende partij betoogt dat de raming onzorgvuldig is (gebaseerd op geïndexeerde prijzen van 2021) en dat een bijzonder prijsonderzoek zich opdrong, gelet op een prijsverschil van 16% tussen de twee offertes en het feit dat de prijs van de gekozen inschrijver 19% boven de raming lag. De Raad oordeelt dat het verschil tussen de raming en de berekening van de verzoekende partij te verklaren is door lagere vermoedelijke hoeveelheden in het bestek 2025, gebaseerd op de reële takecijfers 2021-2025 — cijfers die nota bene door de verzoekende partij zelf als uitvoerder van de lopende opdracht waren opgegeven. Wat het bijzonder prijsonderzoek betreft: bij slechts twee inschrijvers kan niet eenvoudig de ene of de andere prijs als objectieve maatstaf gelden. De verzoekende partij wekt de indruk dat haar eigen prijs de maatstaf is — de Raad volgt dat niet.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest combineert drie veelvoorkomende grieven — regelmatigheid, kwaliteitsbeoordeling en prijsonderzoek — en illustreert bij elk ervan een terugkerend patroon: de verliezende inschrijver die argumenteert vanuit de veronderstelling dat zijn eigen offerte de maatstaf is. Bij het eerste middel is dat bijzonder treffend: de verzoekende partij klaagt over een vergunningsprobleem bij de concurrent, terwijl haar eigen vergunning hetzelfde euvel vertoont. Bij het tweede middel eist ze de maximale kwaliteitsscore op, terwijl de methodiek dat niet vereist. Bij het derde middel presenteert ze haar eigen prijs als norm voor wat 'normaal' is. De Raad wijst telkens op hetzelfde punt: je eigen situatie is geen objectieve maatstaf.
De les
Als inschrijver: een middel dat een gebrek in de offerte van de concurrent aanklaagt terwijl je eigen offerte hetzelfde gebrek vertoont, verliest op het eerste gezicht zijn ernst. Check altijd of je eigen offerte bestand is tegen het verwijt dat je de concurrent maakt. Een globale kwalitatieve beoordeling met een ordinale schaal impliceert niet dat de beste offerte automatisch de maximumscore krijgt — de aanbestedende overheid mag oordelen dat 'goed' niet hetzelfde is als 'uitstekend'. En bij het prijsonderzoek: je eigen prijs is geen objectieve maatstaf, zeker niet als er slechts twee inschrijvers zijn. Als aanbesteder: documenteer de raming zorgvuldig, maar wees je ervan bewust dat lagere hoeveelheden op basis van reële uitvoeringscijfers een verschil met eerdere ramingen prima facie verklaren.
Te onthouden
- Een aanbestedende overheid hoeft bij het regelmatigheidsonderzoek niet het toereikend karakter van voorgelegde omgevingsvergunningen in vraag te stellen, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat de inschrijver de opdracht niet kan uitvoeren.
- Een middel dat een gebrek in de offerte van de concurrent aanklaagt terwijl de eigen offerte hetzelfde gebrek vertoont, verliest op het eerste gezicht zijn ernst.
- Een globale kwalitatieve beoordeling met een ordinale schaal impliceert niet dat de kwalitatief beste offerte automatisch de maximale score krijgt — de aanbestedende overheid mag oordelen dat een offerte 'goed' is zonder 'uitstekend' te zijn.
- Bij slechts twee inschrijvers kan niet eenvoudig de ene of de andere prijs als objectieve maatstaf gelden om de 'normale' prijs te bepalen.
- Wanneer het bestek de termen 'bewaarplaats van de inschrijver' en 'takeldienst' door elkaar gebruikt zonder onderaanneming nader te regelen, mag de beoordelingscommissie ook de bewaarplaatsen van onderaannemers in aanmerking nemen bij de kwaliteitsbeoordeling.
Waarop letten
- De verzoekende partij klaagt over een vergunningsprobleem dat ook op haar eigen offerte van toepassing is — dat relativeert de ernst van het middel in plaats van het te versterken.
- Het bestek hanteert een ordinale schaal ('zeer zwak' tot 'uitstekend') zonder te bepalen dat de beste offerte automatisch de maximumscore krijgt — de verzoekende partij verwart 'beste offerte' met 'maximale score'.
- De raming is gebaseerd op geïndexeerde prijzen van 2021, maar met lagere hoeveelheden op basis van reële uitvoeringscijfers — het verschil met de berekening van de verzoekende partij is daardoor verklaarbaar.
- Bij twee inschrijvers is een prijsverschil van 16% niet zonder meer een indicatie van abnormale prijzen — er is geen derde prijs om als referentiepunt te dienen.
Stel jezelf de vraag
Klaag je over een regelmatigheidsprobleem bij de concurrent dat ook op je eigen offerte van toepassing is? Dan relativeert dat de ernst van je middel. Verwacht je de maximale kwaliteitsscore omdat je offerte de beste is? Dat volgt niet uit een globale evaluatiemethode. Vind je de prijs van de concurrent abnormaal laag omdat hij lager is dan de jouwe? Bij twee inschrijvers is geen van beide prijzen een objectieve maatstaf.
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →