Verwerping Franstalig college

Gerechtsdeurwaarders voor gedwongen invordering: geen overheidsopdracht, wel een mededinging

Arrest nr. 263974 · 23 juli 2025 · VIe kamer (vakantiekamer)

De Raad van State verwerpt de vordering van een gerechtsdeurwaarderskantoor tegen de gunning van een opdracht voor gedwongen invordering van gemeentelijke schulden, omdat dergelijke deurwaardersdiensten — als uitoefening van openbaar gezag — zijn uitgesloten van de wet overheidsopdrachten op grond van artikel 28 §1, 4°, e), waardoor de versnelde procedures uit de Rechtsbeschermingswet niet beschikbaar zijn en de verzoekende partij de spoedeisendheid niet heeft bewezen.

Wat gebeurde er?

De gemeente Quiévrain en haar OCMW schrijven een opdracht uit voor de gedwongen invordering van fiscale, niet-fiscale schulden en administratieve boetes via een gerechtsdeurwaarder, voor de periode tot mei 2029. De geraamde waarde bedraagt 30.000 euro. Vijf deurwaarderskantoren worden uitgenodigd om een offerte in te dienen; drie offertes komen binnen. De gemeente gunt de opdracht aan Unilex op basis van drie kwalitatieve elementen: contractuele garanties (geen kosten bij mislukte invordering door eigen fout), operationele bereikbaarheid (vier deurwaarders 24/7 beschikbaar via mobiel), en de mogelijkheid tot vergaderingen in de kantoren van de gemeente of bij Unilex in de nabijheid. Prijs is geen gunningscriterium — het tarief van gerechtsdeurwaarders is wettelijk vastgelegd. LEGALINK, een van de niet-gekozen kantoren, vordert de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Het kantoor beroept zich op de Rechtsbeschermingswet van 17 juni 2013, die bij overheidsopdrachten een vermoeden van spoedeisendheid schept. De gemeente werpt op dat de opdracht niet onder de wet overheidsopdrachten valt. Zij verwijst naar artikel 28 §1, 4°, e) van de wet van 17 juni 2016, dat 'andere juridische diensten die in het Koninkrijk verbonden zijn, zelfs occasioneel, met de uitoefening van openbaar gezag' uitsluit van het toepassingsgebied. De Raad van State onderzoekt de kwestie grondig. Hij stelt vast dat gerechtsdeurwaarders bij gedwongen invordering een dwangbevoegdheid uitoefenen: zij betekenen dwangbevelen en voeren gedwongen executies uit op basis van uitvoerbare titels. Dit is een wettelijk monopolie (artikel 519 §1 Gerechtelijk Wetboek) met een reglementair tarief (artikel 522 §1). De Raad bevestigt, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie (arresten Commission/Allemagne en Kirschstein) en een advies van zijn eigen afdeling wetgeving, dat dit een rechtstreekse en specifieke deelname aan de uitoefening van het openbaar gezag uitmaakt in de zin van artikel 51 VWEU. Cruciaal: de Raad maakt een onderscheid met minnelijke invordering (artikel 519 §2 Gerechtelijk Wetboek). Die activiteit valt niet onder het monopolie van deurwaarders, kent geen reglementair tarief en impliceert geen uitoefening van openbaar gezag — minnelijke invordering valt dus wél onder de wet overheidsopdrachten. Maar in casu heeft de opdracht uitsluitend betrekking op gedwongen invordering na uitvaardiging van een dwangbevel. De Raad verwerpt ook het argument dat de gemeente 'vrijwillig' de wet overheidsopdrachten zou hebben toegepast door een mededinging te organiseren en de term 'marché' te gebruiken. De gunningsbeslissing verwijst uitdrukkelijk naar artikel 28 om aan te geven dat de opdracht niet onder de wet valt, en preciseert dat de mededinging is georganiseerd op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (gelijkheid, non-discriminatie, transparantie). Zelfs als de gemeente de wet vrijwillig had willen toepassen, zou dat het contentieux regime van de Rechtsbeschermingswet niet van toepassing maken. De vordering wordt verworpen: zonder het vermoeden van spoedeisendheid uit de Rechtsbeschermingswet moet de verzoekende partij de urgentie bewijzen, en dat heeft zij niet gedaan.

Waarom doet dit ertoe?

Dit arrest verduidelijkt de grens tussen deurwaardersdiensten die wél en niet onder de wet overheidsopdrachten vallen — een onderscheid dat in de praktijk vaak over het hoofd wordt gezien. Drie elementen zijn van belang. Ten eerste bevestigt de Raad van State dat gedwongen invordering door gerechtsdeurwaarders — op basis van uitvoerbare titels, met wettelijk monopolie en reglementair tarief — een uitoefening van openbaar gezag is die valt onder de uitsluiting van artikel 28 §1, 4°, e). Ten tweede maakt de Raad een scherp onderscheid met minnelijke invordering, die geen monopolie kent en geen openbaar gezag impliceert: een opdracht die zowel gedwongen als minnelijke invordering omvat, zou een ander regime kunnen volgen. Ten derde: het feit dat een aanbestedende overheid een mededinging organiseert voor een uitgesloten dienst — uit respect voor de beginselen van behoorlijk bestuur — maakt de Rechtsbeschermingswet niet van toepassing. Wie als inschrijver de verkeerde rechtsbeschermingsprocedure kiest, verliest kostbare tijd.

De les

Als gerechtsdeurwaarderskantoor dat meedingt naar overheidsopdrachten voor invorderingsdiensten: controleer altijd of de opdracht betrekking heeft op gedwongen invordering (uitvoerbare titels, dwangbevelen, wettelijk monopolie) of op minnelijke invordering. Bij gedwongen invordering is de wet overheidsopdrachten niet van toepassing en kunt u zich niet beroepen op het vermoeden van spoedeisendheid uit de Rechtsbeschermingswet. Wilt u de gunning betwisten, dan moet u de urgentie zelf bewijzen via de gewone procedure bij de Raad van State. Als aanbestedende overheid: als u deurwaardersdiensten voor gedwongen invordering via een mededinging gunt, verwijs dan uitdrukkelijk naar artikel 28 §1, 4°, e) in uw gunningsbeslissing en vermeld expliciet dat de mededinging is georganiseerd op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, niet op grond van de wet overheidsopdrachten. Zo voorkomt u discussie over het toepasselijke regime.

Stel jezelf de vraag

Hebt u als deurwaarderskantoor bij het betwisten van een gunning voor invorderingsdiensten gecontroleerd of het om gedwongen of minnelijke invordering gaat, en hebt u de juiste rechtsbeschermingsprocedure gekozen? Als aanbestedende overheid: hebt u in uw gunningsbeslissing uitdrukkelijk verwezen naar de uitsluiting van artikel 28 §1, 4°, e) en hebt u gemotiveerd waarom u desondanks een mededinging hebt georganiseerd?

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →